ECLI:NL:RBZWB:2025:5713
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen WOZ-waarde vaststelling van hoekwoning uit 1931
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van zijn hoekwoning uit 1931, gelegen op een perceel van 130 m2 met een woonoppervlakte van 103 m2. De heffingsambtenaar had de waarde vastgesteld op €275.000 per 1 januari 2023, gebaseerd op een taxatierapport en vergelijkingsmethode met drie referentiewoningen.
De rechtbank beoordeelde of de waarde te hoog was vastgesteld. De heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met een taxatiematrix waarin de woning werd vergeleken met drie referentiewoningen in de buurt, waaronder een direct naastgelegen pand dat belanghebbende als meest vergelijkbaar aanduidde. De prijs per eenheid van deze referentiewoning kwam vrijwel overeen met het gemiddelde van de drie referentiewoningen.
Een geschilpunt was de staat van onderhoud van de woning. De rechtbank overwoog dat zelfs bij een lagere onderhoudsscore (matig of slecht) de waarde niet onder de vastgestelde WOZ-waarde zou uitkomen. Belanghebbende leverde onvoldoende bewijs voor een verdere waardecorrectie.
De rechtbank concludeerde dat de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, waardoor de aanslag onroerendezaakbelasting voor 2024 gehandhaafd blijft. Belanghebbende krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde is ongegrond verklaard en de aanslag OZB blijft gehandhaafd.