Art. 1:2 AwbArt. 8:1 AwbArt. 2.1 lid 1 onder f Wabo
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling ontvankelijkheid bezwaar wegens ontbreken belanghebbende bij omgevingsvergunning
Eiser maakte bezwaar tegen een omgevingsvergunning verleend aan een vergunninghouder voor het bouwen van bedrijfsgebouwen op een perceel nabij zijn woning. Het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat eiser niet als belanghebbende werd aangemerkt, onder meer vanwege de afstand van circa 480 meter en het ontbreken van direct zicht op het bouwplan.
Eiser betwistte dit en stelde dat hij wel degelijk zicht heeft en hinder ondervindt door verkeersbewegingen die leiden tot trillingen en lawaai. Ook wees hij op een aanvraag voor rijksmonumentstatus van zijn woning.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij gevolgen van enige betekenis ondervindt. De afstand, de aanwezigheid van een dijk, boomgaarden en windhagen beperken het zicht, en de omvang van het bouwplan is beperkt. De verkeersaantrekkende werking is niet zodanig dat sprake is van relevante gevolgen.
Daarom is eiser niet belanghebbende in de zin van artikel 1:2 AwbPro en is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond en de rechtbank komt niet toe aan inhoudelijke beoordeling.
Uitkomst: Het bezwaar van eiser is terecht niet-ontvankelijk verklaard omdat hij geen belanghebbende is.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/6838 WABOA
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 augustus 2025 in de zaak tussen
[eiser], uit [plaats], eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Borsele (college), verweerder.
Samenvatting
1.1.
Deze uitspraak gaat over de ontvankelijkheid van het bezwaar van eiser. Het college heeft het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat hij geen belanghebbende is. Eiser is het niet eens met dit besluit. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college het bezwaar van eiser op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser niet kan worden aangemerkt als belanghebbende en geen sprake is van gevolgen van enige betekenis. Het college heeft het bezwaarschrift van eiser daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard .Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 16 augustus 2024 (bestreden besluit) waarbij zijn bezwaar tegen een aan vergunninghouder verleende omgevingsvergunning niet-ontvankelijk is verklaard.
De rechtbank heeft het beroep op 20 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en namens het college [naam 1] en [naam 2].
De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak met zes weken verlengd.
Beoordeling door de rechtbank
Feiten en omstandigheden
2.1.
De heer [naam 3] heeft op 30 december 2023 namens [B.V.] (vergunninghouder) een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor het (nieuw/her)bouwen van bedrijfsgebouwen op het [adres] (het bouwplan).
2.2.
Met het besluit van 8 maart 2024 (primair besluit) heeft het college een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk op het perceel verleend aan vergunninghouder.
2.3.
Eiser heeft op 18 april 2024 bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
2.4.
Met het bestreden besluit is het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
Bestreden besluit
3. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk is verklaard, omdat hij geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eiser voldoet niet aan het afstands- en zichtcriterium, omdat hij op meer dan 500 meter van het bouwplan woont en geen rechtstreeks zicht heeft op het bouwplan. [1] Hierdoor wordt eiser niet direct in zijn belang getroffen. Ten slotte heeft eiser niet gemotiveerd weergegeven welke gevolgen van enige betekenis hij ondervindt inzake de (extra) verkeersbewegingen.
Beroepsgronden
4. Eiser is van mening dat het college ten onrechte stelt dat hij niet voldoet aan het afstands- en zichtcriterium. De afstand tussen zijn woning en het bouwplan bedraagt slechts 480 meter. Bovendien heeft eiser wel degelijk zicht op het bouwplan en is de ruimtelijke uitstraling van het bouwplan zodanig dat eiser belanghebbende is. Eiser ervaart namelijk hinder door de verkeersbewegingen in de vorm van trillingen. Dit leidt tot scheuren in zijn oude woning. Ook veroorzaken voorbijrijdende tractoren veel lawaai. Met het bouwplan zal dit alleen maar toenemen. Ten slotte heeft de woning van eiser nog geen rijksmonumentstatus, maar heeft hij wel een aanvraag hiervoor gedaan. Een rijksmonument mag niet worden verstoord [2] , wat wel gebeurt als er volgens de omgevingsvergunning wordt gebouwd.
Oordeel van de rechtbank
5.1.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiser is aan te merken als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 vanPro de Awb en meer specifiek of er sprake is van gevolgen van enige betekenis. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
5.2.
Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. In artikel 8:1 vanPro de Awb is bepaald dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de bestuursrechter.
5.3.
Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) [3] volgt dat als uitgangspunt geldt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die een besluit toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Het criterium “gevolgen van enige betekenis” dient als correctie op dit uitgangspunt. [4] Gevolgen van enige betekenis ontbreken indien de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (onder andere geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.
Is sprake van gevolgen van enige betekenis?
6.1.
Eiser voert aan dat hij wel voldoet aan het afstands- en zichtcriterium. Ook heeft eiser wel degelijk zicht op het bouwplan en is de ruimtelijke uitstraling van het bouwplan zodanig dat eiser belanghebbende is.
6.2.
De rechtbank gaat uit van een afstand tussen het woonperceel van eiser en het bouwplan van ongeveer 480 meter. Bij een dergelijke afstand is in beginsel niet aannemelijk dat gevolgen van enige betekenis zullen worden ondervonden. [5]
6.3.
De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat eiser gevolgen van enige betekenis ondervindt. Eiser heeft (mogelijk) zicht op het bouwplan, maar tussen zijn woonperceel en het bouwplan ligt een dijk. Daarnaast worden de gronden rondom het bouwplan gebruikt als boomgaard en zijn er windhagen aanwezig van tussen de vijf à zes meter hoog. Hierdoor heeft eiser geen vrij uitzicht op het bouwplan. Voorts heeft het college ter zitting verklaard dat de omvang van het bouwplan beperkt is. Met het bouwplan wordt de bestaande loods vervangen door een nieuwe. De nieuwe loods is net zo hoog als de omliggende loodsen, waardoor het zicht (nagenoeg) gelijk blijft. Ook de eventuele verkeersaantrekkende werking van het bouwplan is, gelet op de beperkte omvang van het bouwproject, niet zodanig dat eiser daarvan gevolgen van enige betekenis zal ondervinden.
6.4.
Hoewel de rechtbank begrijpt dat de beleving van overlast behoorlijk vervelend kan zijn, is de rechtbank met het college van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat andere gevolgen van enige betekenis zullen optreden.
7. Gelet op het hiervoor overwogene kan eiser niet worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 vanPro de Awb. Het college heeft het bezwaarschrift van eiser daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat het beroep van eiser ongegrond is en de rechtbank aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak niet toekomt.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bezwaar van eiser op goede gronden niet-ontvankelijk is verklaard door het college. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van mr.S.C.J.J. van Roij, griffier op 22 augustus 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Voetnoten
1.Eiser woont op het adres Nieuwe Hoondertsedijk 4 in ’s-Gravenpolder.
2.Op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder f, Wabo.