ECLI:NL:RBZWB:2025:5724
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen WOZ-waarde woning en aanslag onroerendezaakbelasting
Belanghebbende is eigenaar van een tussenwoning uit 2019 met een woonoppervlakte van 120 m2 en een perceel van 118 m2, inclusief een vrijstaande schuur. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van de woning per 1 januari 2023 vast op €400.000 en legde gelijktijdig de aanslag onroerendezaakbelasting voor 2024 op.
Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze vaststelling, maar dit werd door de heffingsambtenaar ongegrond verklaard. De rechtbank behandelde het beroep op 13 augustus 2025, waarbij ook taxatierapporten van beide partijen werden overgelegd. De rechtbank liet het rapport van belanghebbende toe ondanks de late indiening, gelet op de omstandigheden rondom de indiening van stukken door de heffingsambtenaar.
De rechtbank oordeelde dat de gebruikte referentiewoningen door de heffingsambtenaar voldoende vergelijkbaar waren en dat de waardebepaling met de vergelijkingsmethode correct was toegepast. Het taxatierapport van belanghebbende gaf onvoldoende aanleiding om de vastgestelde waarde te verlagen, mede vanwege onvoldoende onderbouwing van hogere grondwaardes en afwijkende KOUDV-factoren.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en handhaafde de WOZ-waarde en aanslag OZB. Belanghebbende krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde en de aanslag OZB wordt ongegrond verklaard en de vastgestelde waarde van €400.000 blijft gehandhaafd.