Eiser diende op 13 februari 2025 een aanvraag in bij het UWV voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Het UWV heeft niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van acht weken, vermeerderd met de periode waarin de aanvraag incompleet was, op de aanvraag beslist. Eiser stelde het UWV op 26 mei 2025 in gebreke en stelde vervolgens beroep in bij de rechtbank.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is omdat het UWV nog geen besluit heeft genomen. Hoewel het UWV meer tijd nodig heeft voor medisch en arbeidskundig onderzoek, acht de rechtbank een termijn van twee maanden na verzending van het vonnis redelijk om alsnog een besluit te nemen. Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom van €100 per dag op, met een maximum van €15.000, voor elke dag dat het UWV de beslistermijn overschrijdt.
De rechtbank veroordeelt het UWV ook tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten van in totaal €453,50 aan eiser. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 21 augustus 2025. Partijen kunnen binnen zes weken verzet instellen tegen deze uitspraak.