Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2025:5738

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
28 augustus 2025
Publicatiedatum
25 augustus 2025
Zaaknummer
BRE 25/3299 WIA
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 6:12 AwbArt. 102, derde lid Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank beveelt UWV binnen twee maanden te beslissen op WIA-aanvraag en legt dwangsom op

Eiser diende op 13 februari 2025 een aanvraag in bij het UWV voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Het UWV heeft niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van acht weken, vermeerderd met de periode waarin de aanvraag incompleet was, op de aanvraag beslist. Eiser stelde het UWV op 26 mei 2025 in gebreke en stelde vervolgens beroep in bij de rechtbank.

De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is omdat het UWV nog geen besluit heeft genomen. Hoewel het UWV meer tijd nodig heeft voor medisch en arbeidskundig onderzoek, acht de rechtbank een termijn van twee maanden na verzending van het vonnis redelijk om alsnog een besluit te nemen. Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom van €100 per dag op, met een maximum van €15.000, voor elke dag dat het UWV de beslistermijn overschrijdt.

De rechtbank veroordeelt het UWV ook tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten van in totaal €453,50 aan eiser. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 21 augustus 2025. Partijen kunnen binnen zes weken verzet instellen tegen deze uitspraak.

Uitkomst: Het UWV moet binnen twee maanden beslissen op de WIA-aanvraag en betaalt een dwangsom van €100 per dag bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/3299 WIA

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 augustus 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

gemachtigde: [gemachtigde] ,
en

De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat het UWV volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag van 13 februari 2025 voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
3. Eiser heeft de aanvraag ingediend op 13 februari 2025. Het UWV moet binnen acht weken beslissen op de aanvraag. [2] Deze termijn wordt verlengd met de periode waarin de aanvraag nog niet compleet was. Het UWV had uiterlijk op 16 april 2025 moeten beslissen. De termijn waarbinnen het UWV moet beslissen is inmiddels voorbij. Eiser heeft het UWV op 26 mei 2025 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.
Welke beslistermijn moet aan het UWV worden opgelegd?
4. Omdat het UWV nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het UWV dit alsnog moet doen.
4.1.
Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het UWV dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen. Het UWV heeft uitgelegd dat het meer tijd nodig heeft voor het medisch/arbeidskundig onderzoek omdat er meer aanvragen zijn dan het UWV aankan. In het verweerschrift heeft het UWV aangegeven dat het medisch onderzoek gepland staat op 23 juli 2025 maar dat er nog geen zicht is op de termijn waarop kan worden beslist op de aanvraag. Na het medisch onderzoek moet mogelijk nog een arbeidskundig onderzoek plaatsvinden.
4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank moet een termijn recht doen aan de reële mogelijkheden om op de aanvraag te beslissen, maar ook aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen. Een langere termijn dan twee weken acht de rechtbank in dit geval aangewezen vanwege het belang van een zorgvuldige besluitvorming.
In dit geval acht de rechtbank het redelijk dat het UWV twee maanden de tijd krijgt om alsnog te beslissen op de aanvraag.
Welke dwangsom wordt aan het UWV opgelegd?
5. De rechtbank bepaalt dat het UWV een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het UWV. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, het UWV de onder 4.2 genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het UWV de onder 5 genoemde dwangsom wordt opgelegd.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding voor zijn proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 453,50 omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt het UWV op binnen twee maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat het UWV aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
  • bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden;
  • veroordeelt het UWV tot betaling van € 453,50 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is op 21 augustus 2025 gedaan door mr. M. Snoeks, rechter, in aanwezigheid van mr. T.B. Both, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
2.Dit staat in artikel 102, derde lid van de Wet WIA.