4.3.2De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feit 1 primair
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat feit 1 primair niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.
Feit 1 subsidiair
Feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 4 augustus 2024 valt de politie kort na middernacht naar aanleiding van een inbraakmelding een loods binnen aan de [adres] in [plaats 2] .
Daar treffen ze mevrouw [naam] aan in een koelcel en vinden ze op zolder drie mannen die daar verscholen lagen, te weten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] .
In een van de koelcellen in die loods wordt een sterke acetongeur waargenomen. In een hoek van die koelcel treft de politie chemicaliën, volgens de etiketten propanol, aceton en zoutzuur, en een hoeveelheid laboratoriumattributen aan. Tot die attributen behoren onder meer een vacuümpomp, een vacuümvat waarin zich een rol huishoudfolie bevindt en drie kartonnen dozen waarvan er één leeg was en de andere twee een glazen 3500 ml schaal bevatten. Ook treft men ketels, jerrycans en gelaatsmaskers aan. Op een tafel in die koelcel ziet de politie een kapotte fles met daarin een kleine hoeveelheid witte substantie. De door de politie op die substantie uitgevoerde indicatieve test geeft als uitslag alfa-PVP, ook aangeduid als flakka. Op een stoel in die koelcel ziet de politie groen ijzerdraad liggen.
In de loods bevindt zich een auto, die op naam staat van [medeverdachte 1] . In die auto vindt de politie een glazen schaal, afgesloten met plastic folie en groen ijzerdraad, met daarin een crèmekleurige kristalvormige substantie. Analyse door het NFI wijst uit dat deze substantie alfa-PVP bevat.
De bereiding en vervaardiging van alfa-PVP
De rechtbank dient allereerst de vraag te beantwoorden of de in de tenlastelegging genoemde medeverdachten zich hebben beziggehouden met de productie van alfa-PVP op 2 en/of 3 augustus 2024.
Bij de beantwoording van deze vraag overweegt de rechtbank het volgende.
Op de telefoon van [medeverdachte 2] zijn filmpjes aangetroffen. De opnames laten een bruine vloeistof in een maatbeker zien die met behulp van een roerstaaf wordt geroerd en onder toevoeging van andere vloeistof kristalliseert tot een gele kristalvormige substantie. Bij de beelden zijn drie verschillende stemmen te horen. Een van die stemmen herkent de politie als die van [medeverdachte 2] .
Bij zijn aanhouding in de loods op 3 augustus 2004 draagt [medeverdachte 3] een zwart jack van het merk Adidas met opvallende rode, gele en groene strepen, dat ook te zien is op de hierboven genoemde filmpjes. Op een van de filmpjes is te horen dat een van de stemmen een ander persoon aanspreekt met ‘ [alias] ’.
De politie constateert aan de hand van de na de inval in de loods gemaakte foto’s dat de filmpjes zijn opgenomen in de loods ter plaatse waar de chemicaliën en de laboratoriumattributen zijn gevonden. Tevens stelt de politie vast dat de filmpjes zijn gemaakt op 3 augustus 2024 tussen 11:03:42 uur en 15:32:51 uur.
Wanneer op de beelden de vloeistof kristalliseert, zegt een van de stemmen: “763 zit ie nou dus”. Kort na het noemen van genoemd getal, wordt gezegd: “Ja die is klaar”. Het valt de rechtbank op, dat het genoemde getal dichtbij het aantal gram aan alfa-PVP zit dat is aangetroffen in de auto, te weten 765,8 gram.
Volgend op de hierboven genoemde conversatie wordt er gesproken over afdekken: “Je dekt het nooit helemaal af met dat schenktuitje”, “beste zou nog zijn vershoudfolie”, “als je dit nou pakt en eromheen trekt”.
De politie constateert dat het ijzerdraad dat om de in de auto aangetroffen glazen schaal (afgedekt met plastic folie) zit, lijkt op het ijzerdraad dat is aangetroffen op de stoel in de koelcel.
Op basis van deze overwegingen, bezien in onderlinge samenhang en in combinatie met de hierboven vastgestelde feiten en omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en een onbekend gebleven derde zich op 3 augustus 2024 hebben beziggehouden met de productie van de in de auto aangetroffen 765,8 gram alfa-PVP bevattende substantie.
De betrokkenheid van verdachte
De rechtbank stelt voorop dat voor de bewezenverklaring van medeplichtigheid aan een misdrijf is vereist dat niet alleen wordt bewezen dat het opzet van de verdachte was gericht op zijn handelingen als medeplichtige als bedoeld in art. 48, aanhef en onder 1° of 2º Sr, maar ook dat zijn opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, was gericht op het door de dader gepleegde misdrijf (het gronddelict).
Aan de hand van het dossier stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op de telefoon van [medeverdachte 2] zijn chats aangetroffen tussen [medeverdachte 2] en verdachte waarin op 26 en 27 juli 2024 besproken wordt ‘het’ een keer goed en professioneel aan te pakken samen met ‘ [alias] ’, waarbij [verdachte] aangeeft dat hij een leegstaand slachthuis met meerdere koelcellen ter beschikking heeft, waarbij hij tevens opmerkt: “Is van ons. Zelf”, “Is. Helemaal. Verstopt. Kom je niet. Zomaar”.
Verdachte verklaart bij de politie dat de loods aan de [adres] van zijn vader is, dat het een voormalig slachthuis betreft en dat hij medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] en diens auto toegang tot de loods heeft verschaft en [medeverdachte 2] daar toen ook gezien heeft. Verder verklaart hij genoemde personen te kennen uit het ‘gebruikerswereldje’ als gebruikers van flakka. Ten aanzien van [medeverdachte 3] geeft hij daarbij nog aan dat hij had opgevangen dat deze misschien wel flakka zou kunnen maken.
Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat de verdachte zowel opzet heeft gehad op het verschaffen van gelegenheid en/of middelen als op de productie van alfa-PVP (het gronddelict).
Feit 2
Ten aanzien van feit 2 dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of verdachte zich, al dan niet samen met anderen, heeft schuldig gemaakt aan het plegen van voorbereidingshandelingen gericht op de productie van alfa-PVP.
Uit de hierboven weergegeven betrokkenheid van verdachte bij de productie van alfa-PVP volgt dat verdachte heeft gehandeld met het opzet om de productie van alfa-PVP voor te bereiden of te bevorderen en daarbij nauw en bewust heeft samengewerkt met de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . Zijn aandeel in deze samenwerking, te weten het ter beschikking stellen van de loods voor de productie van flakka beoordeelt de rechtbank van zodanig gewicht dat sprake is van medeplegen.
De rechtbank acht dan ook feiten 1 subsidiair en 2 wettig en overtuigend bewezen.