ECLI:NL:RBZWB:2025:5801
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde en aanslag onroerendezaakbelasting woning te [plaats 2]
Belanghebbenden hebben beroep ingesteld tegen de vastgestelde WOZ-waarde van hun woning te [plaats 2], welke door de heffingsambtenaar is vastgesteld op €1.625.000 per 1 januari 2023. De aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) voor 2023 is hierop gebaseerd. Belanghebbenden stelden dat de waarde te hoog was en pleitten voor een waarde van €1.200.000.
De rechtbank heeft de zaak op 16 juli 2025 behandeld en beoordeelt of de heffingsambtenaar de waarde terecht heeft vastgesteld. De heffingsambtenaar gebruikte de vergelijkingsmethode, waarbij de waarde is bepaald aan de hand van verkoopprijzen van vergelijkbare woningen rondom de waardepeildatum. De rechtbank acht de referentiewoningen voldoende vergelijkbaar en vindt dat de heffingsambtenaar op juiste wijze rekening heeft gehouden met verschillen tussen de woningen.
Belanghebbenden voerden aan dat een vergelijking met het naastgelegen object aan de [adres 2] relevant zou zijn, maar de rechtbank volgt dit niet omdat het gaat om verkoopopbrengsten en niet om WOZ-waardeontwikkeling. Ook is de ligging van de woning volgens belanghebbenden minder gunstig, maar zij hebben onvoldoende onderbouwd dat dit tot een ander waardegebied leidt.
De rechtbank concludeert dat de heffingsambtenaar de waarde niet te hoog heeft vastgesteld en verklaart het beroep ongegrond. De aanslag OZB blijft daarmee in stand en belanghebbenden krijgen geen teruggaaf van griffierecht of proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde en aanslag OZB wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft in stand.