ECLI:NL:RBZWB:2025:5807

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 augustus 2025
Publicatiedatum
28 augustus 2025
Zaaknummer
24/2933
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Deels gegrond beroep tegen naheffingsaanslagen parkeerbelasting wegens verlopen vergunning

Belanghebbende beschikte over een eerste parkeervergunning die geldig was tot 19 oktober 2023, maar heeft nagelaten tijdig een nieuwe vergunning aan te vragen. Hierdoor had hij vanaf die datum geen geldig parkeerrecht meer. De heffingsambtenaar legde 13 naheffingsaanslagen op voor parkeren zonder geldige vergunning in de periode van 21 oktober tot 8 november 2023. Belanghebbende maakte bezwaar tegen alle aanslagen, waarvan zes werden vernietigd door de heffingsambtenaar en zeven werden gehandhaafd.

De rechtbank oordeelt dat de aanslagen van 21 oktober, 7 en 8 november terecht zijn opgelegd, omdat belanghebbende toen redelijkerwijs op de hoogte had kunnen zijn van het verlopen van zijn vergunning en de eerste naheffingsaanslag. De aanslagen van 3, 4 en 5 november zijn echter ten onrechte opgelegd, omdat het aannemelijk is dat belanghebbende toen nog geen kennis had kunnen nemen van de eerste naheffingsaanslag.

De rechtbank wijst erop dat een naheffingsaanslag een objectieve belasting betreft en geen boete, waarbij het niet betalen van de verschuldigde belasting voldoende is voor oplegging. Omdat het beroep deels gegrond is verklaard, moet de heffingsambtenaar het griffierecht en proceskosten aan belanghebbende vergoeden. De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding vast op €680,25 vanwege samenhangende zaken en wijst geen kostenvergoeding toe voor de bezwaarfase.

Uitkomst: De naheffingsaanslagen van 3, 4 en 5 november 2023 worden vernietigd; de overige blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 24/2933 tot en met BRE 24/2938 en BRE 24/2940

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 augustus 2025 in de zaken tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Breda, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de heffingsambtenaar van 25 januari 2024.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende de volgende naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd:
Zaaknummer
Aanslagnummer
Controledatum
Locatie ( [plaats] )
BRE 24/2933
[aanslagnummer 1]
21 oktober 2023
[straat 1]
BRE 24/2934
[aanslagnummer 2]
3 november 2023
[straat 1]
BRE 24/2935
[aanslagnummer 3]
3 november 2023
[straat 2]
BRE 24/2936
[aanslagnummer 4]
4 november 2023
[straat 2]
BRE 24/2937
[aanslagnummer 5]
5 november 2023
[straat 2]
BRE 24/2938
[aanslagnummer 6]
7 november 2023
[straat 1]
BRE 24/2940
[aanslagnummer 7]
8 november 2023
[straat 1]
1.2.
De heffingsambtenaar heeft de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 16 juli 2025 op zitting behandeld. Beide partijen hebben zich (vlak voor) voor de zitting afgemeld. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten en bij brief van 16 juli 2025 een uitspraakdatum aangekondigd.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar de naheffingsaanslagen parkeerbelasting (zoals vermeld in 1.1) terecht aan belanghebbende heeft opgelegd.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep van belanghebbende deels. De naheffingsaanslagen parkeerbelasting met controledatum 3, 4 en 5 november zijn ten onrechte opgelegd. De naheffingsaanslagen parkeerbelasting met controledatum 21 oktober, 7 en 8 november zijn terecht opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Belanghebbende heeft een eerste parkeervergunning bewoners voor het [gebied] ( [straat] e.o.) te [plaats] .
3.1.
Belanghebbende heeft een brief van de gemeente Breda ontvangen die gedagtekend is op 18 september 2023 met als onderwerp ‘Directe actie vereist.’ In de brief staat onder meer het volgende vermeld:
‘Volgens onze gegevens heeft u een eerste parkeervergunning bewoners (BVHH) voor [gebied] [straat] e.o.. Deze vergunning is geldig tot 19-10-2023 en is dus bijna verlopen.
Vanaf 1 januari 2023 is de eerste parkeervergunning gratis. U dient deze wel aan te vragen en dat heeft u tot op heden nog niet gedaan. Is uw vergunning reeds verlopen, dan heeft u nu geen geldig parkeerrecht meer en is het advies dat u per ommegaande de nieuwe gratis vergunning aanvraagt. U riskeert anders een naheffingsaanslag.
Uw nieuwe gratis vergunning kunt u simpel en snel aanvragen in het P-loket ( [website] ). Dat doet u door in te loggen met uw Digid. De nieuwe vergunning is geldig tot 31 december 2023.’
3.2.
Aan belanghebbende zijn in totaal 13 naheffingsaanslagen opgelegd voor het niet betalen van parkeerbelasting in de periode van 21 oktober 2023 tot en met 8 november 2023. De eerste naheffingsaanslag is opgelegd op 21 oktober 2023 en verzonden op 30 oktober 2023.
3.3.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen alle 13 naheffingsaanslagen. De heffingsambtenaar heeft de zes naheffingsaanslagen die zijn opgelegd in de periode na 21 oktober 2023 tot en met 2 november 2023 vernietigd. De bezwaren tegen de overige zeven naheffingsaanslagen heeft hij ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft die naheffingsaanslagen in stand gelaten.
3.4.
Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende op de betreffende dagen heeft geparkeerd op een locatie waar parkeerbelasting verschuldigd is.

Motivering

4. De rechtbank stelt vast dat de parkeervergunning van belanghebbende geldig was tot 19 oktober 2023 en dat belanghebbende daarna recht had op een nieuwe vergunning. De rechtbank stelt verder vast dat belanghebbende die nieuwe vergunning had moeten aanvragen om het geldig parkeerrecht te behouden en dat hij dat niet heeft gedaan. Het niet aanvragen van de nieuwe parkeervergunning komt voor rekening en risico van belanghebbende. Nu belanghebbende vanaf 19 oktober 2023 niet meer over een geldige parkeervergunning beschikte en hij de (vanaf dat moment voor het parkeren in het [gebied] verschuldigde) parkeerbelasting niet op andere wijze heeft voldaan, zijn de naheffingsaanslagen parkeerbelasting in beginsel terecht opgelegd. De rechtbank merkt daarbij op dat een naheffingsaanslag parkeerbelasting geen boete is, maar een objectieve belasting. Het enkele feit dát er geen of te weinig belasting is betaald, is voldoende om tot oplegging van een naheffingsaanslag parkeerbelasting over te gaan.
4.1.
De heffingsambtenaar heeft uit coulance zes van de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen vernietigd. De heffingsambtenaar heeft in dit geval geen aanleiding gezien om de andere naheffingsaanslagen uit coulance te vernietigen. Belanghebbende had volgens de heffingsambtenaar op het moment van de controle op 3 november 2023 op de hoogte kunnen zijn van de eerste naheffingsaanslag, die op 30 oktober 2023 aan belanghebbende is verstuurd, en daarmee van het feit dat de parkeervergunning was verlopen. Volgens belanghebbende heeft hij echter pas na weken een bericht over de naheffingsaanslagen ontvangen van de leasemaatschappij en heeft hij daarom niet eerder actie kunnen ondernemen om opstapeling van naheffingsaanslagen te voorkomen.
4.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Belanghebbende heeft zijn betoog over de berichtgeving vanuit de leasemaatschappij op geen enkele wijze nader onderbouwd. De rechtbank acht niet aannemelijk dat de leasemaatschappij pas enkele weken na ontvangst van de eerste naheffingsaanslag belanghebbende op de hoogte heeft gesteld. De rechtbank acht het echter ook mogelijk dat de leasemaatschappij dit niet direct na ontvangst van de naheffingsaanslag heeft gedaan. Uitgaande van de verzending van de eerste naheffingsaanslag op 30 oktober 2023 en de ontvangst daarvan door de leasemaatschappij 1 á 2 werkdagen later, had belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs uiterlijk op 7 november 2023 kennis kunnen nemen van de eerste naheffingsaanslag. Dit betekent dat de naheffingsaanslagen die zijn opgelegd voor de constateringen op 21 oktober 2023 (de eerste naheffingsaanslag) en op 7 en 8 november 2023 terecht zijn opgelegd. De naheffingsaanslagen die zijn opgelegd voor de constateringen op 3, 4 en 5 november 2023 zijn ten onrechte opgelegd, omdat belanghebbende op dat moment mogelijkerwijs nog geen kennis had kunnen nemen van die naheffingsaanslagen.
4.3.
Wat belanghebbende voor het overige nog heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank merkt daarbij op dat van de 13 aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen uiteindelijk slechts 3 naheffingsaanslagen in stand blijven.

Conclusie en gevolgen

5. De beroepen die betrekking hebben op de naheffingsaanslagen met controledatum 3, 4 en 5 november 2023 [1] zijn gegrond. Dit betekent dat de uitspraken op bezwaar en de naheffingsaanslagen parkeerbelasting ten aanzien van die controledata zullen worden vernietigd. De beroepen die betrekking hebben op de naheffingsaanslagen met controledatum 21 oktober, 7 en 8 november 2023 [2] zijn ongegrond. De uitspraken op bezwaar en parkeerbelasting ten aanzien van die controledata blijven in stand.
5.1.
Omdat de beroepen deels gegrond zijn moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Belanghebbende krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. De heffingsambtenaar moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde van € 907 en een wegingsfactor 0,5 [3] ). De rechtbank ziet aanleiding om te oordelen dat sprake is van samenhangende zaken, omdat de zaken van belanghebbende gezamenlijk zijn behandeld en de zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. [4] De vergoeding wordt daarom vermenigvuldigd met factor 1,5 en verhoogd tot € 680,25.De rechtbank ziet geen aanleiding voor een kostenvergoeding voor de bezwaarfase.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen die betrekking hebben op de vier naheffingsaanslagen met controledatum 3, 4 en 5 november 2023 gegrond;
  • vernietigt de uitspraken op bezwaar die op voornoemde naheffingsaanslagen zien;
  • vernietigt de voornoemde naheffingsaanslagen;
  • verklaart de beroepen die betrekking hebben op de naheffingsaanslagen met controledatum 21 oktober, 7 en 8 november 2023 ongegrond;
  • bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51 aan belanghebbende moet vergoeden;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 680,25 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Dondorp-Loopstra, rechter, in aanwezigheid van mr. C.C. van den Berg, griffier, op 27 augustus 2025. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak in Mijn Rechtspraak geplaatst.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “
Formulieren en inloggen” op
www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Door de rechtbank geregistreerd onder de zaaknummers BRE 24/2934 tot en met BRE 24/2937.
2.Door de rechtbank geregistreerd onder de zaaknummers BRE 24/2933, BRE 24/2938 en BRE 24/2940.
3.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 11 november 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:3315.
4.Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.10.2.