Eiser was sinds januari 2019 arbeidsongeschikt en ontving een WIA-uitkering. In oktober 2021 werd de uitkering omgezet naar een vervolguitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35-45%. Later stelde het UWV bij een herbeoordeling dat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde de uitkering per september 2024.
Eiser voerde aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was, omdat hij alleen telefonisch was beoordeeld door een niet-geregistreerde arts en dat zijn beperkingen waren onderschat. De rechtbank oordeelde dat het onderzoek in de bezwaarfase onvoldoende zorgvuldig was, maar dat het onderzoek door de verzekeringsarts in de beroepsfase wel zorgvuldig was uitgevoerd.
De arbeidsdeskundige van het UWV stelde op basis van passende functies een arbeidsongeschiktheidspercentage van 33,47% vast, wat voldoende was om de uitkering te beëindigen. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit vanwege het onzorgvuldige onderzoek, maar liet de rechtsgevolgen in stand omdat het UWV het gebrek in beroep had hersteld.
De rechtbank veroordeelde het UWV tot betaling van proceskosten aan eiser en tot vergoeding van het griffierecht. Eiser kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep.