Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 februari 2025 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,
de heffingsambtenaar van de gemeente Oosterhout, de heffingsambtenaar.
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning te Oosterhout, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €395.000 per 1 januari 2022. Hij stelde dat de waarde te hoog was en dat relevante stukken ontbraken in het dossier. Tevens voerde hij aan dat de waardebepaling niet modelmatig was uitgevoerd, wat volgens hem in strijd was met het verbod van willekeur en het vertrouwensbeginsel.
De rechtbank oordeelde dat de iWOZ-kaarten en bouwtekeningen geen op de zaak betrekking hebbende stukken zijn en dat de heffingsambtenaar niet verplicht was deze in te brengen. De stellingen over schending van het verbod van willekeur en het vertrouwensbeginsel werden verworpen, omdat de heffingsambtenaar vrij is de waardebepaling op eigen wijze te onderbouwen.
De waarde was vastgesteld met de vergelijkingsmethode, waarbij drie referentiewoningen binnen een jaar van de waardepeildatum werden gebruikt. De rechtbank achtte deze referentiewoningen voldoende vergelijkbaar en vond dat de heffingsambtenaar voldoende rekening had gehouden met verschillen in oppervlakte en KOUDV-factoren. De alternatieve woningen die belanghebbende aandroeg, voldeden niet aan de criteria.
De rechtbank concludeerde dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld en verklaarde het beroep ongegrond. Belanghebbende krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €395.000 wordt ongegrond verklaard.