ECLI:NL:RBZWB:2025:5903

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
1 september 2025
Publicatiedatum
3 september 2025
Zaaknummer
C/02/439316 / JE RK 25-1585
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Hendriks
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BWArt. 800 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige bij andere ouder met gezag

De Stichting Jeugdbescherming West Zeeland verzocht spoedig om een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige bij de vader, de andere ouder met gezag. De minderjarige woonde sinds december 2024 bij de moeder, maar de thuissituatie bij de moeder is recent geëscaleerd met een incident waarbij de moeder in beschonken toestand agressief was en de minderjarige angstig raakte.

De kinderrechter nam het verzoek op 1 september 2025 in behandeling en oordeelde dat het noodzakelijk was de machtiging onverwijld te verlenen vanwege het onmiddellijke en ernstige gevaar voor de minderjarige. De machtiging geldt voor twee weken, van 1 tot 15 september 2025, en is direct uitvoerbaar.

De moeder is het niet eens met de plaatsing en stelt dat de minderjarige terug moet keren, maar de kinderrechter acht het belang van de verzorging en opvoeding bij de vader zwaarder. Er wordt een mondelinge behandeling gepland waarbij alle betrokkenen hun mening kunnen geven, inclusief een afzonderlijk kindgesprek met de minderjarige.

De beschikking is openbaar uitgesproken door kinderrechter Hendriks en griffier De Haas. Tegen de beslissing is hoger beroep mogelijk binnen drie maanden na uitspraak of betekening.

Uitkomst: De kinderrechter verleent een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige bij de vader voor twee weken met onmiddellijke ingang.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/439316 / JE RK 25-1585
Datum uitspraak: 1 september 2025
Beschikking spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI),
betreffende
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2010 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [plaats 1] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende te [plaats 2] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
- het mondelinge spoedverzoek van de GI van 1 september 2025;
- het op schrift gestelde spoedverzoek van de GI van 2 september 2025 met bijlagen, ontvangen op 2 september 2025.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woonde tot aan 5 december 2024 bij de vader. Zij staat sinds 5 december 2024 ingeschreven op het adres van de moeder.
2.3.
Bij beslissing van de kinderrechter van 26 februari 2025 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van 3 maanden, met ingang van 26 februari 2025 en tot 26 mei 2025.
2.4.
Bij beschikking van de kinderrechter van 14 mei 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar, met ingang van 14 mei 2025 en tot 14 mei 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, te verlenen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.

4.De beoordeling

4.1.
Op basis van artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
4.2.
Op grond van artikel 800, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) kan een beschikking over het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing onverwijld worden afgegeven, indien de mondelinge behandeling van het verzoek niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de jeugdige.
4.3.
Op grond van de informatie van de GI komt de kinderrechter tot het oordeel dat het dringend en onverwijld noodzakelijk is om de verzochte spoedmachtiging te verlenen. De thuissituatie van de moeder is recent dusdanig geëscaleerd dat er sprake is van acute onveiligheid voor [minderjarige] bij de moeder die maakt dat [minderjarige] daar niet langer kan verblijven. Zo blijkt uit de informatie van de GI dat er in de nacht van 27 augustus 2025 een incident in de thuissituatie van de moeder heeft plaatsgevonden, waarbij de moeder in beschonken toestand is uitgevallen tegen [minderjarige] en onder meer een glazen kast kapot heeft gegooid met haar telefoon, waarbij [minderjarige] is een enorme angst verkeerde. De buren hebben daarop de politie ingeschakeld en de politie heeft vervolgens een zorgmelding gedaan. [minderjarige] heeft de volgende dag op school haar verhaal gedaan, waarna de school ook een zorgmelding heeft gedaan. In het gesprek op school heeft [minderjarige] verteld dat zij niet meer naar huis durft te gaan vanwege haar enorme angst over de situatie van de moeder, maar dat zij zich ook erg schuldig voelt naar haar moeder toe. De kinderrechter begrijpt dat er al lange tijd zeer grote zorgen zijn over de thuissituatie bij de moeder en het gedrag van de moeder. De moeder is belast met zware psychiatrische problematiek en [minderjarige] voelt zich verantwoordelijk voor haar moeder, zorgt voor haar moeder en wordt volledig door haar moeder in beslag genomen.
4.4.
De school heeft na het gesprek met [minderjarige] contact opgenomen met de GI en [minderjarige] is nadien in overleg met de GI uit school naar haar vader gegaan. De moeder is het daar niet mee eens en stelt dat [minderjarige] terug naar huis moet komen. De GI vreest dan ook dat de moeder plotseling op school of aan de deur bij de vader zal verschijnen om [minderjarige] op te halen, en [minderjarige] daartegen geen weerstand kan bieden. De advocaat van de moeder heeft de GI laten weten dat de moeder zich er niet in kan vinden dat [minderjarige] nu bij de vader verblijft en van mening is dat zij volledig in haar recht staat om [minderjarige] nu te dwingen om terug naar huis te komen zolang de plaatsing van [minderjarige] bij de vader niet formeel geregeld is.
4.5.
Op basis van deze informatie is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [minderjarige] uit huis wordt geplaatst. [1] De kinderrechter is ook van oordeel dat een mondelinge behandeling niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige] . Daarom machtigt de kinderrechter de GI om [minderjarige] uit huis te plaatsen bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, voor de duur van twee weken, met ingang van 1 september 2025 en tot 15 september 2025. Het overige deel van het verzoek zal worden aangehouden.
4.6.
De GI en de belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven op het verzoek om de hierna te noemen mondelinge behandeling.
4.7.
[minderjarige] zal de gelegenheid krijgen haar mening te geven tijdens een afzonderlijk kindgesprek. De kinderrechter geeft [minderjarige] mee dat zij haar mening over het verzoek ook schriftelijk aan de kinderrechter kenbaar kan maken.
4.8.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
4.9.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
verleent een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, voor de duur van twee weken, met ingang van 1 september 2025 en tot 15 september 2025;
5.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
houdt het resterende deel van het verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen aan tot de mondelinge behandeling van
[datum] 2025 om [uur],bij de kinderrechter, mr. Verschoor-Bergsma, van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, aan Kousteensedijk 2, voor de duur van ongeveer 45 minuten;
5.4.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor die mondelinge behandeling voor de GI, de moeder (en haar advocaat) en de vader;
5.5.
gelast de griffier om de minderjarige [minderjarige] bij aparte brief op te roepen voor een afzonderlijk kindgesprek;
5.6.
behoudt zich iedere nadere beslissing voor.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 1 september 2025 door mr. Hendriks, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. De Haas als griffier, en op schrift gesteld op 2 september 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).