De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 5 september 2025 de zaak tegen een 19-jarige verdachte die ervan werd verdacht seksuele handelingen te hebben verricht op een 15-jarig meisje in de nacht van 2 op 3 november 2024.
De rechtbank volgde niet volledig het verhaal van het slachtoffer vanwege twijfels over haar betrouwbaarheid, maar achtte bewezen dat verdachte met een vinger tussen de schaamlippen van het meisje was geweest, wat juridisch als seksueel binnendringen geldt. Verdachte bekende dit en lichtte dit toe aan de hand van een vergelijking met koeien.
De rechtbank verwierp het verweer van de verdediging en oordeelde dat verdachte strafbaar was, mede vanwege het leeftijdsverschil en de dronkenschap van het slachtoffer. De straf werd gematigd vastgesteld: 31 dagen gevangenisstraf waarvan 30 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf van 120 uur.
De vordering van het slachtoffer tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege afwijkingen in de bewezenverklaring en het feit dat dit nader civiel onderzoek zou vereisen. De rechtbank wees erop dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden ingediend.