ECLI:NL:RBZWB:2025:5934

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
2 september 2025
Publicatiedatum
4 september 2025
Zaaknummer
11824219 \ VV EXPL 25-66 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:37 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot verwijdering bomen wegens ontbreken onrechtmatige hinder

In deze zaak vorderen eiser partijen de verwijdering van zeven Canadapopulieren die door gedaagde partijen in het vroege voorjaar van 2024 zijn geplant en inmiddels een hoogte van vijf tot zes meter hebben bereikt. Eiser stelt dat deze bomen onrechtmatige hinder veroorzaken en schade toebrengen aan onder meer funderingen en een tuinmuur.

De kantonrechter beoordeelt eerst de bevoegdheid van de Nederlandse rechter en bevestigt deze vanwege het feit dat het geschil betrekking heeft op onrechtmatig handelen in Nederland, ondanks het internationale karakter van de zaak. Vervolgens wordt vastgesteld dat eiser partijen een spoedeisend belang hebben bij hun vordering.

De kantonrechter oordeelt echter dat niet is gebleken dat de bomen binnen twee meter van de erfgrens staan, waardoor artikel 5:37 BW Pro niet van toepassing is. Verder is onvoldoende vastgesteld dat de hinder de normale burenverhoudingen overschrijdt. Deskundigenverklaringen zijn onvoldoende gezaghebbend of overtuigend. Daarom wijst de kantonrechter de vorderingen af en veroordeelt eiser partijen in de proceskosten.

Uitkomst: De vordering tot verwijdering van de bomen wordt afgewezen wegens het ontbreken van onrechtmatige hinder.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 11824219 \ VV EXPL 25-66
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding van 2 september 2025
in de zaak van

1.[eiser 1] ,

2.
[eiser 2],
beiden wonende te [plaats 1] (België),
eisende partijen,
hierna te noemen: [eiser 1] en [eiser 2] ,
gemachtigden: mr. M.P. Wolf en mr. D.A.R. Snelders,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

2.
[gedaagde 2],
beiden wonende te [plaats 2] (België),
gedaagde partijen,
hierna te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ,
gemachtigde: mr. P.R. Botman.
Het kort geding wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Breda.
De zaak wordt behandeld door mr. C.J.G.M. van der Weide, kantonrechter, bijgestaan door mr. A. van der Landen als griffier.
Aanwezig zijn:
- [eiser 1] en [eiser 2] , bijgestaan door mr. Wolf en Snelders
- [gedaagde 1] , bijgestaan door mr. Botman, met een kantoorgenoot van mr. Botman als toehoorder.
Partijen hebben op de zitting hun standpunten toegelicht. Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten en heeft de kantonrechter op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan.

1.De beoordeling

Waar gaat deze zaak over?
Deze zaak gaat in het kort om het volgende. Partijen zijn eigenaren van aangrenzende tuinen en hebben al jaren onmin over diverse zaken. Op dit moment zijn zij in geschil over de vraag of [gedaagde 1] en [gedaagde 2] met het aanplanten van zeven Canadapopulieren in het vroege voorjaar van 2024 die zich sedertdien hebben ontwikkeld tot bomen van ongeveer vijf meter hoog volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en meer dan zes meter hoog volgens [eiser 1] en [eiser 2] , onrechtmatige hinder veroorzaken. [eiser 1] en [eiser 2] vorderen - samengevat – verwijdering van de bomen inclusief de wortels. De kantonrechter wijst de vorderingen af. Hieronder wordt uiteengezet waarom.
1.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De kantonrechter moet daarom eerst beoordelen of [eiser 1] en [eiser 2] ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang hebben. Daarnaast geldt dat de kantonrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
1.2.
Deze zaak heeft een internationaal karakter nu partijen in België wonen. Daarom moet eerst de vraag worden beantwoord of de Nederlandse rechter, en meer specifiek de kantonrechter in Tilburg, bevoegd is om van de vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] kennis te nemen. Het antwoord hierop is ja omdat de vorderingen betrekking hebben op gesteld onrechtmatig handelen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en het gestelde schade toebrengende feit zich in Baarle-Nassau (Nederland) heeft voorgedaan. Om die reden zal de zaak ook worden beoordeeld naar Nederlands recht. De rechtsmacht en het toepasselijke recht staan overigens ook niet tussen partijen ter discussie.
1.3.
[eiser 1] en [eiser 2] hebben gesteld dat sprake is van onrechtmatige hinder door hoog opschietende bomen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] die overlast veroorzaken. De kantonrechter is daarom van oordeel dat sprake is van een spoedeisend belang. [eiser 1] en [eiser 2] kunnen dus in hun vorderingen worden ontvangen.
1.4.
In hetgeen [eiser 1] en [eiser 2] hebben aangevoerd is niet gesteld dat de bomen op een afstand van minder dan twee meter uit de erfgrens staan zodat de vordering beoordeeld dient te worden naar de algemene maatstaf van artikel 5:37 BW Pro. De kantonrechter beslist dat nu (nog) niet is gebleken van onrechtmatige hinder van de bomen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en wijst de vorderingen daarom af. Partijen hebben verschillende schriftelijke stukken in het geding gebracht van personen die zich uitlaten over de situatie ter plaatse, waaronder hovenier [naam 1] en [naam 2] . De kantonrechter is van oordeel dat uitsluitend laatstgenoemde de indruk wekt gezaghebbend te kunnen oordelen omdat uit zijn briefpapier blijkt dat hij de titel Ingenieur voert en Erbo [1] gecertificeerd is. Ook over hem dient de kantonrechter echter te concluderen dat de autoriteit van [naam 2] niet onbetwistbaar is komen vast te staan. Zo is onduidelijk welk gezag aan de genoemde organisatie toegedicht kan worden en is niet duidelijk in welke discipline [naam 2] zijn ingenieurstitel heeft behaald.
Gelet op het voorgaande valt op dit moment niet met een voldoende mate van zekerheid te zeggen of de groei van (de wortels van de) de bomen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de door [eiser 1] en [eiser 2] gestelde schade aan onder meer funderingen en de tuinmuur zullen veroorzaken terwijl op dit moment onvoldoende gebleken is van hinder in zodanige mate dat die hetgeen buren nu eenmaal van de nabijheid van begroeiing op een naburig erf hebben te dulden, overschrijdt.
1.5.
[eiser 1] en [eiser 2] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
814,00
- nakosten
119,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
933,00

2.De beslissing

De kantonrechter
2.1.
wijst de vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] af,
2.2.
veroordeelt [eiser 1] en [eiser 2] in de proceskosten van € 933,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser 1] en [eiser 2] niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend.
Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. Van der Weide en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de kantonrechter.

Voetnoten

1.Erkenningsregeling Bosaannemers.