Uitspraak
1.[eiser 1] ,
[eiser 2],
1.[gedaagde 1] ,
[gedaagde 2],
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
In deze zaak vorderen eiser partijen de verwijdering van zeven Canadapopulieren die door gedaagde partijen in het vroege voorjaar van 2024 zijn geplant en inmiddels een hoogte van vijf tot zes meter hebben bereikt. Eiser stelt dat deze bomen onrechtmatige hinder veroorzaken en schade toebrengen aan onder meer funderingen en een tuinmuur.
De kantonrechter beoordeelt eerst de bevoegdheid van de Nederlandse rechter en bevestigt deze vanwege het feit dat het geschil betrekking heeft op onrechtmatig handelen in Nederland, ondanks het internationale karakter van de zaak. Vervolgens wordt vastgesteld dat eiser partijen een spoedeisend belang hebben bij hun vordering.
De kantonrechter oordeelt echter dat niet is gebleken dat de bomen binnen twee meter van de erfgrens staan, waardoor artikel 5:37 BW Pro niet van toepassing is. Verder is onvoldoende vastgesteld dat de hinder de normale burenverhoudingen overschrijdt. Deskundigenverklaringen zijn onvoldoende gezaghebbend of overtuigend. Daarom wijst de kantonrechter de vorderingen af en veroordeelt eiser partijen in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot verwijdering van de bomen wordt afgewezen wegens het ontbreken van onrechtmatige hinder.