Belanghebbende, eigenaar van een appartement uit 2005, maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €394.000 per 1 januari 2022. De heffingsambtenaar handhaafde deze waarde na bezwaar. De rechtbank beoordeelde het beroep en stelde vast dat de gebruikte referentiewoningen deels bruikbaar waren, maar dat de heffingsambtenaar onvoldoende inzicht had gegeven in de wijze waarop rekening werd gehouden met verschillen tussen de woning en referenties.
Belanghebbende stelde een waarde van €285.612 voor, maar kon deze onvoldoende onderbouwen. Omdat geen van beide partijen de waarde aannemelijk kon maken, stelde de rechtbank de waarde schattenderwijs vast op €365.000. Dit leidde tot een verlaging van zowel de WOZ-waarde als de aanslag onroerendezaakbelasting.
De rechtbank veroordeelde de heffingsambtenaar tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan belanghebbende. Het beroep werd gegrond verklaard en de uitspraak op bezwaar vernietigd. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep.