ECLI:NL:RBZWB:2025:5970

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
2 juli 2025
Publicatiedatum
4 september 2025
Zaaknummer
11580986 CV EXPL 25-1107 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Ebben
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 BWArt. 6:96 lid 6 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst en ontruiming wegens huurachterstand van meer dan drie maanden

De zaak betreft een huurovereenkomst tussen eiser en gedaagde voor een zelfstandige woning sinds 1991. Eiser vordert ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming van de woning en betaling van een huurachterstand, wettelijke rente, toekomstige huurtermijnen en een schadevergoeding.

Gedaagde erkent de huurachterstand en voert aan dat er een betalingsregeling van € 200 per maand is overeengekomen. De kantonrechter stelt vast dat de huurachterstand ruim drie maanden bedraagt en dat dit een ernstige tekortkoming is die ontbinding rechtvaardigt. De vordering tot ontbinding en ontruiming wordt toegewezen, met uitzondering van de wettelijke huurverhoging over de schadevergoeding na ontbinding.

Daarnaast wijst de kantonrechter de buitengerechtelijke incassokosten toe, omdat eiser heeft voldaan aan de wettelijke vereisten voor aanmaning. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de huurachterstand, toekomstige huurtermijnen, schadevergoeding, incassokosten en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden en gedaagde wordt veroordeeld tot ontruiming en betaling van huurachterstand, rente, schadevergoeding en incassokosten.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 11580986 \ CV EXPL 25-1107
Vonnis van 2 juli 2025
in de zaak van
[eiser],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: GGN Mastering Credit BV,
tegen
[gedaagde],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 26 maart 2025
- de mondelinge behandeling van 4 juni 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- een actuele specificatie van de kale huurachterstand tot en met mei 2025 van [eiser]
- de reactie van [gedaagde] op de actuele huurachterstand.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Tussen partijen staan de volgende feiten in rechte vast:
a. [eiser] verhuurt aan [gedaagde] met ingang van 2 mei 1991 de zelfstandige woning, staande en gelegen aan [adres] in [plaats] .
b. De laatstelijk verschuldigde huurprijs bedraagt 491,94 per maand.
c. De huur dient bij vooruitbetaling voor de eerste van elke maand te worden betaald.
3. Het geschil
3.1.
[eiser] vordert - samengevat -;
1. de tussen partijen bestaande huurovereenkomst te ontbinden;
2. [gedaagde] te veroordelen tot ontruiming van het gehuurde;
3. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van:
a. € 2.460,72, vermeerderd met de wettelijke rente over € 2.092,38 vanaf de dag van dagvaarding;
b. de huurtermijnen vanaf maart 2025 van € 491,94 per maand of zoveel hoger als bij een wettelijke huurverhoging zou zijn toegelaten, tot aan de datum van ontbinding van de huurovereenkomst;
c. een schadevergoeding ten bedrage van € 491,94 per maand of zoveel hoger als bij een wettelijke huurverhoging zal zijn toegelaten (of gedeelte daarvan) na ontbinding van de huurovereenkomst tot aan de ontruiming van het gehuurde;
4. veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
[eiser] wil de mogelijkheid krijgen om het vonnis meteen uit te voeren, ook als er hoger beroep wordt ingesteld (uitvoerbaar bij voorraad).
3.2.
[eiser] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [gedaagde] tot en met februari 2025 een huurachterstand heeft van € 1.900,44. [gedaagde] heeft wat betaald, zodat deze huurachterstand thans € 1.600,44 bedraagt. Daarom vordert [eiser] ontbinding en ontruiming van het gehuurde.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] erkent dat er een huurachterstand is. Hij was de acceptgirokaart van januari kwijt. Hij heeft deze maand betaald maar het bedrag is weer teruggestort. [gedaagde] heeft drie keer betaald, maar iedere keer is dit teruggestort. Daarnaast voert hij aan dat partijen een betalingsregeling van € 200,00 per maand zijn overeengekomen en dat hij graag in de woning wil blijven wonen.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Niet in geschil is dat de huurachterstand blijkens de meest recente specificatie thans € 1.600,44, dus een periode van ruim drie maanden, bedraagt. De vordering tot betaling van dit bedrag aan huurachterstand zal worden toegewezen. Ook de gevorderde wettelijke rente vanaf de vervaldata van de huurtermijnen en de toekomstige wettelijke rente zal, als zijnde onweersproken, worden toegewezen.
4.2.
Ten aanzien van de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde wordt als volgt overwogen. Ingevolge artikel 6:265 BW Pro geeft iedere tekortkoming van een partij de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te (doen) ontbinden, tenzij de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis deze ontbinding niet rechtvaardigt. Beoordeeld moet worden of de tekortkoming gelet op alle omstandigheden van het geval van voldoende gewicht is om de ontbinding van de overeenkomst te rechtvaardigen.
4.3.
Niet in geschil is dat [gedaagde] een huurachterstand heeft van meer dan drie maanden. Dit levert een ernstige tekortkoming op in de nakoming van de verplichtingen die [gedaagde] tegenover [eiser] heeft. Van [eiser] kan niet verlangd worden dat zij [gedaagde] onder deze omstandigheden nog langer in het genot van het gehuurde laat. De kantonrechter begrijpt dat [gedaagde] graag in de woning wil blijven wonen, maar onduidelijk is gebleven waardoor de huurachterstand is ontstaan. [eiser] heeft niets gezien van terug stortingen. De ontbinding en ontruiming zullen worden toegewezen, met dien verstande dat de gevorderde wettelijke huurverhoging enkel toewijsbaar is over de bedragen die op grond van de overeenkomst verschuldigd zijn. De wettelijke huurverhoging over de schadevergoeding, na ontbinding van de huurovereenkomst, wordt dus niet toegewezen.
4.4.
[eiser] heeft ter zitting nadrukkelijk toegezegd dat zij zal trachten om afspraken te maken met [gedaagde] en dat zij het vonnis zal gebruiken als stok achter de deur.
4.5.
[eiser] vordert vervolgens een bedrag van € 344,93 inclusief BTW als vergoeding van de buitengerechtelijke kosten. De kantonrechter overweegt dat [eiser] , op grond van de met het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) samenhangende wettelijke bepalingen, in deze zaak moet aantonen dat zij een kosteloze aanmaning in overeenstemming met de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro heeft verzonden aan [gedaagde] . Gelet op de bij dagvaarding overgelegde brief van 10 december 2024 heeft zij aan deze vereisten voldaan. Het gevorderde bedrag komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief. Het gevorderde bedrag zal worden toegewezen.
4.6.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
145,45
- griffierecht
385,00
- salaris gemachtigde
408,00
(2 punten × € 204,00)
- nakosten
102,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.040,45

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
ontbindt met ingang van de dag na heden de huurovereenkomst tussen partijen betreffende de woning, staande en gelegen te [plaats] aan [adres] ,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om het gehuurde binnen veertien dagen na de betekening van dit vonnis met al degenen die en al hetgeen dat zich daarin bevinden respectievelijk bevindt, volledig en behoorlijk te ontruimen en te verlaten en met afgifte van de sleutels in lege en behoorlijke staat ter vrije beschikking van [eiser] te stellen,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [gedaagde] te betalen:
- een bedrag van € 1.600,44 aan huur tot en met mei 2025 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vervaldata van de huurtermijnen tot de dag van de algehele voldoening,
- de huurtermijnen ten bedrage van de huurprijs van € 491,94 per huurperiode, daarbij een ingegane huurperiode voor een hele te rekenen, met ingang van juni 2025 tot aan de ontbinding van de huurovereenkomst,
- een schadevergoeding ten bedrage van de huidige huurprijs van € 491,94 voor iedere aangevangen huurperiode, daarbij een ingegane huurperiode te rekenen voor een hele, die verschijnen na de ontbinding van de huurovereenkomst tot aan de ontruiming van het gehuurde,
- een bedrag van € 344,93 aan buitengerechtelijke incassokosten,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.040,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Ebben en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2025.