ECLI:NL:RBZWB:2025:6034
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen WOZ-waarde en aanslag onroerendezaakbelasting woning
Belanghebbende is eigenaar van een vrijstaande woning uit 1939 met diverse bijgebouwen en een perceel van 887 m². De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde per 1 januari 2023 vast op €626.000 en legde daarop de aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) voor 2024 op.
Belanghebbende betwistte de waarde en stelde dat deze maximaal €588.000 zou moeten zijn. De rechtbank beoordeelde het beroep aan de hand van de vergelijkingsmethode, waarbij de waarde is vastgesteld door vergelijking met vier referentiewoningen die qua ligging, type en uitstraling voldoende vergelijkbaar zijn en recentelijk zijn verkocht.
De heffingsambtenaar heeft inzichtelijk gemaakt hoe rekening is gehouden met verschillen tussen de woning en referentiewoningen, zoals bijgebouwen, perceeloppervlakte en kwaliteit. Het beroep van belanghebbende dat de WOZ-waarde onbegrijpelijk hoger is dan die van buurwoningen faalt, omdat de WOZ-waarde jaarlijks opnieuw wordt bepaald en individuele verschillen tussen woningen bestaan.
De rechtbank concludeert dat de WOZ-waarde en de aanslag OZB niet te hoog zijn vastgesteld en verklaart het beroep ongegrond. Hierdoor blijft de aanslag ongewijzigd en wordt het griffierecht niet vergoed.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde en aanslag OZB wordt ongegrond verklaard en de vastgestelde waarde van €626.000 blijft gehandhaafd.