Uitspraak
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
1.De procedure
2.De verdere boordeling
482,83
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
In deze civiele bodemzaak vordert eiser betaling van een bedrag dat gedaagde aan haar zou hebben terugbetaald. De rechtbank heeft eerder een tussenvonnis gewezen waarin werd vastgesteld dat gedaagde nog een bedrag van €3.400 van de borg aan eiser moet betalen en dat gedaagde moest bewijzen dat hij contant bedragen van in totaal €66.500 aan eiser had gegeven.
Tijdens het getuigenverhoor verklaarde gedaagde contante betalingen te hebben gedaan, waarvan slechts een bedrag van €30.000 door een getuige werd bevestigd. Eiser ontkende ontvangst van de overige bedragen. De rechtbank oordeelde dat alleen het bedrag van €30.000 voldoende was bewezen, omdat de overige betalingen uitsluitend door gedaagde waren verklaard zonder aanvullend bewijs.
De rechtbank overwoog ook de omstandigheden rondom de getuigenverklaringen, waaronder de afstand en lichtomstandigheden, en concludeerde dat de verklaring van de getuige betrouwbaar was. De wettelijke rente werd toegewezen vanaf de dag van betekening van het beslagverlof. De beslagkosten werden toegewezen aan gedaagde. De proceskosten werden gecompenseerd, zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.
De rechtbank veroordeelde gedaagde tot betaling van €36.500 vermeerderd met wettelijke rente en de beslagkosten van €1.588,83, en wees het meer of anders gevorderde af.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €36.500 vermeerderd met wettelijke rente en beslagkosten.