ECLI:NL:RBZWB:2025:6102
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vermindering WOZ-waarde woning na beroep wegens te hoge waardering
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €491.000 per 1 januari 2023, en tegen de daarop gebaseerde aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) voor 2024. De heffingsambtenaar had het bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank behandelde het beroep op 30 juli 2025.
De rechtbank beoordeelde of de waarde van de woning te hoog was vastgesteld. De heffingsambtenaar had de waarde bepaald met de vergelijkingsmethode, gebruikmakend van referentiewoningen die voldoende vergelijkbaar waren met de woning van belanghebbende. Wel bleek dat de heffingsambtenaar onvoldoende inzichtelijk had gemaakt hoe rekening was gehouden met verschillen in onderhouds- en voorzieningenniveau. Belanghebbende stelde dat het onderhoudsniveau gemiddeld was, terwijl de heffingsambtenaar dit op bovengemiddeld had vastgesteld.
De rechtbank volgde belanghebbende hierin en oordeelde dat de waarde te hoog was vastgesteld. Omdat geen van beide partijen de door hen voorgestelde waarde aannemelijk kon maken, stelde de rechtbank de waarde schattenderwijs vast op €475.000. De aanslag OZB werd dienovereenkomstig verminderd. Tevens werd de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan belanghebbende.
Uitkomst: De WOZ-waarde van de woning wordt verminderd tot €475.000 en de aanslag OZB dienovereenkomstig aangepast.