Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van zijn woning, vastgesteld op €368.000 door de heffingsambtenaar van de gemeente Alphen-Chaam. De rechtbank beoordeelde het beroep nadat het bezwaar ongegrond was verklaard.
De heffingsambtenaar baseerde de waardebepaling op een taxatiematrix met vergelijkingsmethode, maar overhandigde niet alle relevante stukken, zoals correctiepercentages en beschrijvingen van referentiewoningen. Hierdoor kon de rechtbank niet vaststellen of de referentiewoningen voldoende vergelijkbaar waren en of de waardering juist was.
Belanghebbende stelde een lagere waarde van €326.000, maar leverde geen onderbouwing. Omdat geen van beide partijen de waarde aannemelijk kon maken, stelde de rechtbank de waarde schattenderwijs vast op €340.000.
De aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) werd dienovereenkomstig verminderd. De rechtbank veroordeelde de heffingsambtenaar tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan belanghebbende.
De uitspraak is gedaan door rechter T. Peters op 15 september 2025 en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.