Op 13 oktober 2024 vond een geweldsincident plaats op een terras in Roosendaal waarbij verdachte met een mes zwaaiende en snijdende bewegingen maakte richting het slachtoffer, die hierdoor meerdere snijwonden opliep. De rechtbank oordeelde dat de poging tot doodslag niet bewezen kon worden vanwege het ontbreken van medische gegevens en onduidelijkheid over de ernst van het letsel.
Wel werd vastgesteld dat verdachte zich schuldig maakte aan poging tot zware mishandeling, omdat hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat het zwaaien met het mes zwaar lichamelijk letsel zou veroorzaken. Het beroep op noodweer en noodweerexces werd verworpen omdat verdachte de confrontatie had opgezocht en er geen sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.
De rechtbank legde een gevangenisstraf van 6 maanden op, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het voorkomen van het verlies van zijn woning. Het in beslag genomen mes werd onttrokken aan het verkeer. De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf werd afgewezen.