Eiseres huurt een woning en ontving huurtoeslag. Haar moeder is vanaf december 2021 tijdelijk bij haar komen wonen vanwege renovatie, maar bleef noodgedwongen langer vanwege medische omstandigheden. De Dienst Toeslagen heeft het inkomen van de moeder meegenomen bij de huurtoeslagberekening omdat zij als medebewoner in de Basisregistratie Personen stond ingeschreven.
Eiseres voerde aan dat haar moeder niet als medebewoner aangemerkt had mogen worden en dat bijzondere omstandigheden zoals verzorgingsbehoefte niet waren meegewogen. De rechtbank stelt vast dat moeder feitelijk en in de BRP op hetzelfde adres stond ingeschreven en dat de wetgever dit als medebewoning definieert. De uitzondering voor het buiten beschouwing laten van het inkomen bij verzorgingsbehoefte vereist een indicatiebesluit van het CIZ, wat eiseres niet heeft kunnen overleggen.
De rechtbank overweegt dat de wettelijke bepalingen dwingendrechtelijk zijn en dat het evenredigheidsbeginsel niet tot afwijking leidt zonder bijzondere omstandigheden. Omdat eiseres geen medische stukken heeft overgelegd die de verzorgingsbehoefte aantonen, is het inkomen van moeder terecht meegenomen. Het beroep wordt ongegrond verklaard, het bestreden besluit blijft in stand en eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding.