Uitspraak
1.De procedure
- de akte van [huurder]
- het getuigenverhoor van 26 mei 2025
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De zaak betreft een geschil tussen een huurder en een verhuurder over de voortzetting van een huurovereenkomst na het overlijden van de vader van de huurder. De kantonrechter heeft in een tussenvonnis van 18 december 2024 bepaald dat eiser moet bewijzen dat hij met zijn gezin een duurzame gemeenschappelijke huishouding had met zijn vader, die op 26 december 2023 is overleden.
Eiser heeft dit bewijs geleverd door het overleggen van diverse documenten en het horen van twee getuigen die bevestigden dat de vader een eigen slaapkamer had en dat er sprake was van gezamenlijke activiteiten en huishoudelijke taken. De kantonrechter achtte de verklaringen geloofwaardig en voldoende ondersteund door schriftelijk bewijs, zoals een huishoudboekje en reisdocumenten.
De verhuurder voerde tegenbewijs aan, onder meer met foto's van de woning die zouden aantonen dat de vader niet meer in de woning woonde, maar deze stellingen werden door de kantonrechter verworpen op grond van verklaringen over vakanties en het gebruik van de slaapkamer.
De kantonrechter concludeert dat aan de vereisten van artikel 7:268 lid 2 en Pro 3 BW is voldaan en wijst de vordering toe om de huurovereenkomst voor onbepaalde tijd voort te zetten. De verhuurder wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten en wettelijke rente. De ontruimingsvordering van de verhuurder wordt afgewezen.
Uitkomst: De huurovereenkomst wordt voor onbepaalde tijd voortgezet en de verhuurder wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten en wettelijke rente.