Belanghebbende, een vennootschap onder firma, maakte bezwaar tegen de kosten van een dwangbevel die de ontvanger van de Belastingdienst had opgelegd naar aanleiding van een naheffingsaanslag omzetbelasting over 2020. De rechtbank beoordeelde het beroep op 1 juli 2025, waarbij belanghebbende niet aanwezig was ondanks tijdige uitnodiging.
De rechtbank oordeelde dat zij niet bevoegd is om te oordelen over de naheffingsaanslag, verzuimboete, belastingrente, kwijtschelding of uitstel van betaling, maar uitsluitend over de kosten van het dwangbevel. Belanghebbende stelde dat het postadres zonder haar medeweten was gewijzigd door een voormalige adviseur, waardoor belangrijke stukken mogelijk niet waren ontvangen.
De rechtbank stelde vast dat de naheffingsaanslag en aanmaning naar het verplichte toezendadres van belanghebbende waren gestuurd en het dwangbevel naar het vestigingsadres. Gezien het ingediende bezwaar achtte de rechtbank aannemelijk dat het dwangbevel is ontvangen. De wijziging van het postadres door de adviseur is voor risico van belanghebbende. De kosten van het dwangbevel zijn volgens de rechtbank conform de Kostenwet berekend en terecht in rekening gebracht.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond, handhaafde de kosten van het dwangbevel en zag geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Voor het overige verklaarde de rechtbank zich onbevoegd.