Belanghebbende tekende op 26 februari 2024 een koopovereenkomst voor een onroerende zaak die oorspronkelijk deel uitmaakte van een langgevelboerderij en niet was ontworpen voor bewoning. De onroerende zaak werd op 16 april 2024 geleverd en aangemeld voor overdrachtsbelasting tegen het tarief van 2%, maar de inspecteur hanteerde het hogere tarief van 10,4%.
De rechtbank oordeelt dat de onroerende zaak op het moment van verkrijging niet kwalificeert als woning, omdat het oorspronkelijk niet voor bewoning was bestemd en de uitgevoerde werkzaamheden niet onmiskenbaar strekken tot oplevering van een woning. Voorbereidende verbouwingen door belanghebbende na verkrijging zijn onvoldoende om het lagere tarief toe te passen.
Verder is geen sprake van een woning in aanbouw, aangezien de bestaande fundering en betonvloer niet voldoen aan de criteria voor nieuwbouw. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalt omdat de wetgever deze situatie heeft voorzien en de rechter geen toetsing aan algemene rechtsbeginselen kan toepassen.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wijst proceskostenvergoeding af en bevestigt het hogere tarief van 10,4% overdrachtsbelasting.