Belanghebbende heeft op 25 januari 2021 een bedrag van €11.600 aan overdrachtsbelasting voldaan over de verkrijging van een onverdeeld aandeel in een recreatiewoning. Op 7 maart 2024 diende hij een bezwaarschrift in tegen deze voldoening, dat door de inspecteur niet-ontvankelijk werd verklaard wegens overschrijding van de wettelijke bezwaartermijn van zes weken.
Belanghebbende voerde aan dat de toepasselijkheid van het verlaagde tarief van 2% op recreatiewoningen pas medio 2021 duidelijk werd en dat hij pas in maart 2024 van een buurman hoorde dat dit tarief van toepassing was. De rechtbank oordeelde dat de wettelijke voorwaarden voor het verlaagde tarief op 1 januari 2021 al duidelijk waren en dat de termijn van zes weken vanaf de dag na voldoening op aangifte was verstreken.
De rechtbank stelde dat geen sprake was van een verschoonbare termijnoverschrijding omdat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat hem een niet-toerekenbare omstandigheid verhinderde tijdig bezwaar in te dienen. Ook de latere kennisname van het tarief door een buurman was onvoldoende om de termijn te verlengen.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond, wees het griffierecht en proceskostenvergoedingen af en bevestigde zij de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar door de inspecteur.