ECLI:NL:RBZWB:2025:64
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen vaststelling WOZ-waarde woning en aanslag OZB gemeente Breda
Belanghebbende is eigenaar van een vrijstaande woning uit 2018 met een woonoppervlakte van 247 m² gelegen op een perceel van 644 m². De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde per 1 januari 2023 vast op €1.222.000 en legde gelijktijdig de aanslag OZB op voor 2024.
Belanghebbende voerde bezwaar aan tegen deze waardebepaling en stelde een lagere waarde van €978.000 voor, onderbouwd met een eigen taxatierapport. De heffingsambtenaar verdedigde de beschikking met een taxatiematrix gebaseerd op vergelijkbare woningen.
De rechtbank beoordeelde de vergelijkbaarheid van de referentiewoningen van beide partijen en concludeerde dat beide sets referentiewoningen voldoende vergelijkbaar zijn. De rechtbank hechtte de meeste bewijskracht aan de referentiewoningen die door beide partijen als zeer vergelijkbaar werden beschouwd.
De rechtbank gaf de voorkeur aan de door de heffingsambtenaar gehanteerde indexcijfers en KOUDV-factoren, omdat deze beter waren onderbouwd. De argumenten van belanghebbende waren onvoldoende om hiervan af te wijken. Daarom is de WOZ-waarde en de aanslag OZB niet te hoog vastgesteld en blijft deze gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde en aanslag OZB wordt ongegrond verklaard en de beschikking blijft gehandhaafd.