ECLI:NL:RBZWB:2025:6500
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen WOZ-waarde en aanslag onroerendezaakbelasting woning
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, die de heffingsambtenaar had vastgesteld op €243.000 per 1 januari 2023. Belanghebbende stelde dat de waarde maximaal €198.000 bedroeg, gebaseerd op de aankoopprijs van €194.491 in maart 2022. De heffingsambtenaar handhaafde de waarde en stelde dat de woning in verhuurde staat was gekocht, waardoor de aankoopprijs niet representatief was.
De rechtbank overwoog dat de aankoopprijs niet zonder meer onbruikbaar is, maar dat belanghebbende onvoldoende onderbouwing had gegeven voor een correctie vanwege de verhuurde staat. Daarom werd de vergelijkingsmethode toegepast, waarbij de waarde werd bepaald aan de hand van referentiewoningen die vergelijkbaar waren qua ligging, bouwjaar en oppervlakte. De heffingsambtenaar had voldoende inzicht gegeven in de correcties voor verschillen tussen de woningen.
De rechtbank concludeerde dat de WOZ-waarde van €243.000 niet te hoog was vastgesteld en dat het beroep ongegrond was. De aanslag OZB werd daarmee gehandhaafd. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend en het griffierecht werd niet vergoed.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde en aanslag OZB wordt ongegrond verklaard en de waarde van €243.000 gehandhaafd.