De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank om een ondertoezichtstelling van een minderjarige voor de duur van één jaar vanwege ernstige bedreiging van haar ontwikkeling. De minderjarige woont bij haar moeder en staat onder gezamenlijk gezag van beide ouders. De Raad signaleerde fysieke en emotionele onveiligheid, loyaliteitsproblemen en een gespannen relatie tussen de ouders, waarbij de vader kampt met ADHD, impulsiviteit en mogelijk problematisch alcohol- en drugsgebruik.
Tijdens de zitting, gehouden met gesloten deuren, waren de ouders en hun advocaten aanwezig, evenals vertegenwoordigers van de Raad en de gecertificeerde instelling. Beide ouders stemden in met het verzoek tot ondertoezichtstelling, hoewel de vader het rapport van de Raad als eenzijdig bestempelde en zijn huidige situatie toelichtte.
De kinderrechter oordeelde dat de minderjarige ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd en dat de problemen niet meer binnen een vrijwillig kader kunnen worden opgelost. Daarom werd de ondertoezichtstelling voor twaalf maanden uitgesproken, met als doel het inzetten van hulpverlening en het creëren van een veilige opvoedomgeving. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct ingaat, ook bij hoger beroep.