De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 17 september 2025 de zaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van seksueel misbruik van zijn minderjarige dochter in de periode van 2002 tot 2005. De officier van justitie baseerde de tenlastelegging op de verklaring van het slachtoffer en aanvullend zogenaamd steunbewijs, waaronder gedragsveranderingen en verklaringen van familieleden.
De verdediging betwistte de betrouwbaarheid van de verklaring van het slachtoffer en stelde dat er geen objectief steunbewijs aanwezig was. De rechtbank oordeelde dat, ondanks de aannemelijkheid van de verklaring van het slachtoffer, deze onvoldoende werd ondersteund door onafhankelijk bewijs. Verklaringen van familieleden waren afgeleid van het slachtoffer zelf en gedragsveranderingen konden ook worden verklaard door andere omstandigheden zoals een problematische scheiding.
Gezien het ontbreken van voldoende steunbewijs en het wettelijk bewijsminimum, sprak de rechtbank verdachte vrij van alle ten laste gelegde feiten. De vordering tot schadevergoeding van het slachtoffer werd niet-ontvankelijk verklaard en verwezen naar de burgerlijke rechter.