De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 16 september 2025 uitspraak gedaan over een verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. [Minderjarige 1] heeft ernstige brandwonden opgelopen bij een ongeval en verblijft sinds juli 2025 in het ziekenhuis voor een langdurig hersteltraject. De ouders zijn in een scheidingsprocedure en hebben moeite met het maken van werkbare afspraken, wat stress veroorzaakt bij de kinderen.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de ouders wel in staat zijn om medische beslissingen gezamenlijk te nemen, maar dat de conflicten en onduidelijkheden rondom de zorg en aanwezigheid een bedreiging vormen voor het herstel en welzijn van de kinderen. De Raad en de gecertificeerde instelling hebben daarom een voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en een voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] verzocht.
De rechtbank handhaaft de spoedbeslissing van 5 september 2025 en oordeelt dat de wettelijke vereisten voor de voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing zijn vervuld. De maatregelen worden vastgesteld voor de periode van 16 september tot respectievelijk 5 december 2025 voor [minderjarige 1] en 16 december 2025 voor [minderjarige 2]. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.