De zaak betreft een verzoek van de GI (Gezinsvoogdij-instelling) tot machtiging van uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2009, voor de duur van de ondertoezichtstelling. De minderjarige verblijft momenteel in een crisisopvang en er is sprake van complexe gedragsproblematiek die eerdere pleegplaatsingen onmogelijk maakte. De moeder, belast met het ouderlijk gezag, is niet verschenen bij de zitting maar werd vertegenwoordigd door een advocaat.
De kinderrechter heeft vastgesteld dat de uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De eerdere pleegplaatsing is beëindigd na een escalatie met fysieke agressie. De thuissituatie biedt onvoldoende draagkracht voor de opvoeding. De minderjarige verblijft sinds juli 2025 op een crisisgroep, waar zij het naar haar zin heeft en toe wil werken naar zelfstandigheid.
De kinderrechter wijst het verzoek van de GI toe en verleent de machtiging tot uithuisplaatsing tot 14 juni 2026. Er is zorg over het ontbreken van een perspectief biedende vaste woonplaats, en de GI wordt aangespoord hier prioriteit aan te geven. Tevens wordt benadrukt dat het contact met de vader, dat de moeder tegenhoudt, in het belang van de minderjarige is en dat de moeder moet meewerken aan het verstrekken van contactgegevens. De beschikking is direct uitvoerbaar verklaard.