Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2025:6614

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 augustus 2025
Publicatiedatum
2 oktober 2025
Zaaknummer
RK 24-013478
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 552a SvArt. 552d lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring klaagschrift tegen strafvorderlijk beslag op personenauto

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 20 augustus 2024 het klaagschrift van klager tegen het beslag op zijn personenauto, gelegd op 11 mei 2024 op grond van artikel 94 Sv Pro. Klager verzocht om opheffing van het beslag omdat er volgens hem geen onderzoeksbelang meer was en het beslag disproportioneel was na drie maanden.

De officier van justitie stelde dat het niet onwaarschijnlijk is dat de strafrechter een verbeurdverklaring zal bevelen, mede gezien recidive van klager in 2022 en het feit dat klager op 11 mei 2024 tijdens een rijverbod opnieuw onder invloed werd aangehouden. De rechtbank oordeelde dat het onderzoek in raadkamer summier is en dat het voortduren van het beslag gerechtvaardigd is zolang er een strafvorderlijk belang bestaat.

Gelet op de feiten, waaronder de eerdere strafbeschikking en het dubbele rijden onder invloed op dezelfde dag, achtte de rechtbank het niet onwaarschijnlijk dat de strafrechter de verbeurdverklaring zal bevelen. Ook vond de rechtbank het beslag proportioneel. Daarom werd het klaagschrift ongegrond verklaard.

De beslissing werd genomen door rechter R.J.H. Goossens en uitgesproken op de openbare zitting. Tegen deze beslissing staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad.

Uitkomst: Het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag op de personenauto wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Locatie Breda
parketnummer: 96/158168-24
rk.nummer: 24-013478
Beslissing op het klaagschrift ex artikel 552a Sv van:
[klager]
geboren op [datum] 1996 te [plaats]
wonende te [adres]
woonplaats kiezende op het kantoor van mr. M.Q. Zaat, Achillesstraat 79 1076 PX Amsterdam

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
  • het klaagschrift op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ingediend op 29 mei 2024 ter griffie van deze rechtbank;
  • de kennisgeving van inbeslagneming op grond van artikel 94 Sv Pro, waaruit blijkt dat op 11 mei 2024 onder klager in beslag is genomen: een personenauto van het merk Citroën, voorzien van het [kenteken] (hierna: de personenauto);
  • de reactie van de officier van justitie en
  • de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Op 6 augustus 2024 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. R. Jacobs en mr. M.Q. Zaat als gemachtigd raadsman van klager, gehoord.
Klager is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen.
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag met last tot teruggave aan de klager. Daartoe is aangevoerd dat er geen onderzoeksbelang meer is, omdat verder onderzoek aan de personenauto niet is vereist. Er is sprake van een strafbaar feit waar in de regel géén verbeurdverklaring voor wordt opgelegd, daarom is het hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter later een verbeurdverklaring van de personenauto zal bevelen. Daarnaast is het voortduren van het beslag na drie maanden in strijd met het proportionaliteitsbeginsel.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter later een verbeurdverklaring over de personenauto zal bevelen nu er sprake is van recidive uit 2022 én op dezelfde pleegdatum. Klager is immers op 11 mei 2024 gedurende een opgelegd rijverbod voor een tweede maal staandegehouden voor het rijden onder invloed.

2.De beoordeling

De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend en klager is ontvankelijk in zijn beklag.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter heeft. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevraagd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv Pro als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad [1] , moet de rechter, bij een op grond van artikel 94 Sv Pro gelegd beslag:
a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende vandat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard.
Het beslag op de voorwerpen blijft gehandhaafd als er een strafvorderlijk belang is op grond van artikel 94 Sv Pro. Dat is het geval wanneer:
- de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.
De aanwezigheid van een strafvorderlijk belang sluit niet uit dat de rechtbank onder omstandigheden bij de beoordeling van het klaagschrift ook onderzoekt of voortzetting van het beslag voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit [2] .
De rechtbank stelt vast dat klager op 14 december 2023 een strafbeschikking opgelegd heeft gekregen voor het rijden onder invloed van alcohol. Blijkens het proces-verbaal van bevindingen is klager op
11 mei 2024 wederom staandegehouden wegens het rijden onder invloed van alcohol. Na het opmaken van een proces-verbaal en de oplegging van een rijverbod is klager op 11 mei 2024 in vrijheid gesteld, maar is klager direct weer in zijn personenauto gaan rijden. Hierop is klager voor een tweede maal op dezelfde dag staandegehouden voor het rijden onder invloed van alcohol. De rechtbank acht het gelet op deze omstandigheden niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter later een verbeurdverklaring over de personenauto zal bevelen. Er is dus sprake van een strafvorderlijk belang die het voortduren van het beslag rechtvaardigt. De rechtbank acht het beslag ook proportioneel.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het klaagschrift tegen het artikel 94 Sv Pro beslag ongegrond verklaren.

3.De beslissing

De rechtbank verklaart het klaagschrift ongegrond.
Deze beslissing is op 20 augustus 2024 genomen door mr. R.J.H. Goossens rechter, in tegenwoordigheid van J.H. Cornelissen, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van
20 augustus 2024.
De griffier is niet in de gelegenheid deze beschikking mede te ondertekenen
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing
beroep in cassatieworden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).