Eiser en gedaagde waren hoofdelijk verbonden aan een kredietfaciliteit van €100.000, afgesloten door hun vennootschap onder firma (vof) met ING. De vof en later een BV, waarvan beiden indirect bestuurder waren, betaalden de schuld deels af. Na het stoppen van de BV met betalingen in 2017, betaalden partijen zelf verder. Eiser stelde dat hij meer had betaald dan gedaagde en vorderde regres.
De rechtbank stelde vast dat de betalingen door de vof en BV gelijkelijk ten laste van beiden kwamen en dat regresrecht pas ontstaat als een partij meer dan zijn aandeel betaalt. Uit bewijs bleek dat eiser na 2017 €25.159,57 had betaald en gedaagde €4.802,18. Hiermee had eiser €10.178,69 meer betaald dan zijn aandeel, waarop hij regresrecht heeft.
Gedaagde voerde verweren waaronder het ontbreken van regresrecht, matiging wegens betalingen aan de BV, en onaanvaardbaarheid van regres op grond van redelijkheid en billijkheid. De rechtbank verwierp deze verweren, oordeelde dat de BV geen partij is in deze procedure en dat betalingen aan de BV geen invloed hebben op het regresrecht tussen eiser en gedaagde.
De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard en gedaagde werd veroordeeld tot betaling van €10.178,69 plus wettelijke rente vanaf 23 mei 2023 en proceskosten.