ECLI:NL:RBZWB:2025:6651
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- T. Peters
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond tegen naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens onjuiste kostenraming
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting van € 60,05, waarvan € 57,75 aan kosten. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar ongegrond en handhaafde de aanslag. De rechtbank beoordeelde het beroep op ontvankelijkheid en inhoudelijk.
De rechtbank stelde vast dat het beroep tijdig was ingediend tegen de uitspraak op bezwaar van 22 mei 2024. De kosten van de naheffingsaanslag bleken echter te hoog vastgesteld, aangezien de Verordening parkeerbelastingen 2023 een maximum van € 52,75 voorschrijft. Bovendien was de kostenraming onduidelijk en niet deugdelijk onderbouwd, waardoor de rechtbank deze buiten toepassing verklaarde.
De naheffingsaanslag werd verminderd tot € 2,30, het bedrag van de parkeerbelasting exclusief kosten. De rechtbank kende belanghebbende een proceskostenvergoeding toe voor zowel de bezwaar- als beroepsfase, en veroordeelde de heffingsambtenaar tot betaling van het griffierecht en een proceskostenvergoeding van in totaal € 1.100,50.
De uitspraak vervangt de bestreden uitspraak op bezwaar en is openbaar gemaakt op 6 oktober 2025. Belanghebbende kan binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, de naheffingsaanslag verminderd tot € 2,30 en de heffingsambtenaar veroordeeld tot betaling van griffierecht en proceskostenvergoeding.