ECLI:NL:RBZWB:2025:6653
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- T. Peters
- Rechtspraak.nl
Vermindering naheffingsaanslagen parkeerbelasting wegens ondeugdelijke kostenraming
Belanghebbende maakte bezwaar tegen drie naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd door de gemeente Breda wegens het niet voldoen van parkeerbelasting op verschillende data in augustus 2024. De heffingsambtenaar wees de bezwaren af, waarna belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank oordeelde dat de kostenraming die ten grondslag lag aan de naheffingsaanslagen niet deugdelijk was. De tarieven- en kostentabel specificeerde slechts overheadkosten, terwijl niet duidelijk was waaruit de overige kosten bestonden. Ook was niet controleerbaar of de overheadkosten binnen de wettelijke grenzen vielen. Hierdoor werd de kostenraming buiten toepassing verklaard en de naheffingsaanslagen verminderd tot enkel het bedrag van de parkeerbelasting.
Het motiveringsbeginsel werd niet geschonden omdat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat de heffingsambtenaar niet op alle bezwaargronden was ingegaan. De rechtbank vernietigde de uitspraken op bezwaar, bepaalde dat de heffingsambtenaar het griffierecht en proceskosten aan belanghebbende moest vergoeden en legde een renteverplichting bij niet-tijdige betaling op.
De zaken werden gelijktijdig behandeld en de proceskostenvergoeding werd verdeeld over de samenhangende zaken. De uitspraak is openbaar en kan binnen zes weken worden bestreden bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch.
Uitkomst: De naheffingsaanslagen parkeerbelasting worden verminderd tot enkel het bedrag van de parkeerbelasting en de heffingsambtenaar wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.