Uitspraak
1.Onderzoek van de zaak
hierna: ook [verdachte]) is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsman. De officieren van justitie, mr. E.H. Smale en mr. H.G. Klootwijk, alsmede de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op 7 oktober 2025.
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
nietvan misdrijf afkomstig zijn. Die verklaring moet concreet, verifieerbaar, en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. De omstandigheid dat deze verklaring van verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder, het moment en de wijze waarop deze uitleg tot stand is gekomen een rol. Zo kan het van belang zijn of verdachte van meet af aan tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat hij pas in een laat stadium van het onderzoek heeft verklaard. Zodra de verklaring van verdachte voldoende tegenwicht biedt, ligt het op de weg van de officier van justitie om nader onderzoek te doen naar die verklaring over de beweerdelijke alternatieve herkomst. Als een dergelijke verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in de bewijsoverwegingen. Uit de resultaten van dat onderzoek zal dienen te blijken of met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de voorwerpen waarop de verdenking betrekking heeft een legale herkomst hebben en dat een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring overblijft.
‘ [medeverdachte 5] ’, terwijl dit
‘ [medeverdachte 5] ’zou moeten zijn. Bovendien wordt elders in het document het verkeerde initiaal gebruikt. De letter
‘ [letter 1] ’is vermeld, terwijl dit
‘ [letter 2] ’zou moeten zijn. De handtekening die [medeverdachte 5] heeft geplaatst onder haar verdachtenverhoor, en dus authentiek is, vertoont geen enkele overeenkomst met de handtekening op de vergunningsaanvraag.
* een woning/villa (met grond) aan de [adres 1] te [plaats 2] en
5.De strafbaarheid
6.De strafoplegging
De rechtbank stelt vast dat [verdachte] op 7 juli 2015 is aangehouden, in verzekering is gesteld en diezelfde dag voor het eerst als verdachte is verhoord. De redelijke termijn is dus op 7 juli 2015 gaan lopen. Er zijn volgens de rechtbank bijzondere omstandigheden, die ertoe leiden dat niet binnen twee jaar een einduitspraak is gevolgd. Er is sprake van een ingewikkeld procesverloop door de internationale component in dit onderzoek. Er zijn rechtshulpverzoeken uitgevaardigd, dossiers overgedragen uit het buitenland en er hebben internationale getuigenverhoren plaatsgevonden. Ook is door de notaris tweemaal geprocedeerd tot aan de Hoge Raad over de voorgenomen vrijgave van de eerste leenovereenkomst. Verder staat vast dat het om één groot onderzoek gaat, met een veertiental verdachten, alsook een grote verscheidenheid aan tenlastegelegde gedragingen. Voorts zijn er ook gesprekken geweest over procesafspraken, die in de meeste zaken overigens niet tot resultaat hebben geleid. De berechting in onderhavige strafzaak heeft hierdoor vertraging opgelopen. Dit rechtvaardigt een verdubbeling van de termijn waarbinnen een strafzaak gerechtelijk moet zijn afgedaan. Volgens de rechtbank is na vier jaar, dus op 7 juli 2019, de redelijke termijn verstreken. De rechtbank doet op 7 oktober 2025 uitspraak. De redelijke termijn is daarmee in zeer aanzienlijke mate overschreden, te weten: met zes jaar en drie maanden. De rechtbank is van oordeel dat deze forse overschrijding tot een andere strafsoort en tot een aanzienlijke matiging van de hierna te vermelden op te leggen straf moet leiden.
7.De wettelijke voorschriften
8.De beslissing
een taakstraf van 180 (honderdtachtig) uren;
vervangende hechteniszal worden toegepast van
90 (negentig) dagen;
een gevangenisstraf van 4 (vier) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;
algemene voorwaardedat [verdachte] zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;