ECLI:NL:RBZWB:2025:6755

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
8 augustus 2025
Publicatiedatum
8 oktober 2025
Zaaknummer
11796939 VV EXPL 25-57 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • J. Zander
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Loonvordering in kort geding met verstek tegen meerdere werkgevers door onduidelijkheid over de werkgever

In deze zaak heeft eiser, vertegenwoordigd door mr. Y. el Ghaddar, een kort geding aangespannen tegen twee B.V.'s, [B.V. 1] en [B.V. 2], wegens een loonvordering. De eisers vorderingen omvatten betaling van achterstallig loon, vakantiegeld, en afgifte van salarisstroken. Beide gedaagden zijn niet verschenen op de zitting, waardoor verstek is verleend. De kantonrechter heeft vastgesteld dat er een spoedeisend belang is bij de vorderingen, aangezien loon essentieel is voor levensonderhoud. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de vorderingen niet onrechtmatig of ongegrond zijn en heeft deze toegewezen, met inachtneming van een gematigde wettelijke verhoging van 25%. De afgifte van de loonspecificaties is bepaald op één maand na betekening van het vonnis, met een dwangsom van € 100,00 per dag tot een maximum van € 5.000,00. De kantonrechter heeft ook geoordeeld dat de proceskosten gecompenseerd moeten worden, omdat eiser zijn vorderingen ook in een verzoekschriftprocedure had kunnen indienen. Het vonnis is uitgesproken op 8 augustus 2025.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Cluster I Civiele kantonzaken
Breda
zaak/rolnr.: 11796939 VV EXPL 25-57
vonnis in kort geding bij vervroeging d.d. 8 augustus 2025
inzake
[eiser],
wonende te [adres 1] ,
eiser,
gemachtigde: mr. Y. el Ghaddar, advocaat te Amsterdam,
tegen

1.[B.V. 1] ,

statutair gevestigd te [plaats] en kantoorhoudende te [adres 2] ,
2. [B.V. 2],
statutair gevestigd te [plaats] en kantoorhoudende te [adres 3] ,
gedaagden,
niet verschenen.
Partijen worden hierna aangeduid als “ [eiser] ”, “ [B.V. 1] ” en “ [B.V. 2] ”.

1.Het verloop van het geding

De procesgang blijkt uit de volgende stukken:
de dagvaardingen van 18 en 19 juli 2025 met producties;
de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van 28 juli 2025;
de ter mondelinge behandeling voorgedragen pleitnota van mr. El Ghaddar.

2.Het geschil en de beoordeling

2.1
[eiser] vordert om bij wege van voorlopige voorziening, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [B.V. 1] en [B.V. 2] hoofdelijk te veroordelen tot:
- betaling van achterstallig loon, opgebouwde en niet genoten vakantie-uren en opgebouwd vakantiegeld, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente;
- afgifte van de salarisstroken, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
- betaling van buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente;
- betaling van de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
2.2
[B.V. 1] en [B.V. 2] zijn, hoewel behoorlijk gedagvaard, niet ter zitting verschenen en hebben ook niet (tijdig) om uitstel verzocht, zodat tegen hen verstek is verleend.
Spoedeisend belang:
2.3
In deze procedure dient te worden beoordeeld of [eiser] een spoedeisend belang heeft bij de gevorderde voorzieningen en of aannemelijk is dat de vorderingen van [eiser] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben dat het – mede gelet op de belangen van partijen over en weer – gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd.
2.4
Aangezien loon van belang is om in het levensonderhoud te voorzien, is de zaak naar zijn aard spoedeisend. Met betrekking tot de gevorderde afgifte van de loonstroken heeft [eiser] ter mondelinge behandeling gesteld dat deze benodigd zijn om de uitbetaalde bedragen te controleren. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft hij ook bij deze vordering spoedeisend belang. Hij is dan ook ontvankelijk in zijn vorderingen.
Beoordeling vordering:
2.5
De vorderingen komen de kantonrechter (voorlopig) niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat deze met inachtneming van het navolgende zullen worden toegewezen.
2.6
De wettelijke verhoging zal, gelet op de omstandigheden van het geval, worden gematigd tot 25%. Gelet op de stellingen van [eiser] vraagt hij de wettelijke verhoging toe te passen als boete voor slecht gedrag. De wettelijke verhoging is daar echter niet voor bedoeld, omdat deze als prikkel hoort te dienen om tijdig het loon te betalen. Die functie heeft de wettelijke verhoging in deze zaak niet meer, zodat een matiging op zijn plaats is. Het netto-equivalent van een bedrag van € 1.825,11 bruto zal dan ook worden toegewezen.
2.7
De afgiftetermijn voor de loonspecificaties zal worden bepaald op één maand na betekening van dit vonnis. De gevorderde dwangsom zal worden bepaald op € 100,00 per dag of gedeelte daarvan met een maximum van € 5.000,00.
2.8
De vorderingen zijn zowel tegen [B.V. 1] als tegen [B.V. 2] ingesteld. [eiser] stelt dat zijn schriftelijke arbeidsovereenkomsten steeds met [B.V. 1] zijn gesloten, maar dat [B.V. 2] het loon voldeed en hem ook op verschillende momenten tegenstrijdige mededelingen zijn gedaan over wie zijn werkgever is. De onduidelijkheid die daardoor is ontstaan komt, naar het voorlopige oordeel van de kantonrechter, voor rekening en risico van [B.V. 1] en [B.V. 2] , zodat de kantonrechter de vorderingen (hoofdelijk) toewijsbaar acht tegen beide partijen.
2.9
[B.V. 1] en [B.V. 2] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld, zodat zij in beginsel de proceskosten (inclusief nakosten) moeten betalen. De kantonrechter is echter van oordeel dat de proceskosten in deze zaak nodeloos zijn gemaakt. In artikel 7:686a lid 2 en 3 van het Burgerlijk Wetboek is – kort gezegd – bepaald dat verzoeken, die zien op het einde van de arbeidsovereenkomst, moeten worden ingeleid met een verzoekschrift en dat in dat verzoekschrift ook daarmee verband houdende andere vorderingen kunnen worden ingediend. [eiser] had zijn vorderingen dus mee kunnen (en moeten) nemen in de verzoekschriftenprocedure onder nummer 11715195 AZ VERZ 25-29. Ter mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van [eiser] aangegeven dit niet te hebben gedaan, omdat hij het verzoekschrift binnen de geldende vervaltermijnen wilde indienen, maar hij had kunnen volstaan met een vermeerdering van zijn verzoek. Te meer, nu hij op dezelfde data de oproepingsexploten in voornoemde zaak en de dagvaardingen in deze zaak heeft laten uitbrengen. De kantonrechter ziet dan ook aanleiding de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten draagt.

3.De beslissing in kort geding

De kantonrechter:
veroordeelt [B.V. 1] en [B.V. 2] hoofdelijk, en wel zo dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan [eiser] van:
  • het netto-equivalent van € 4.750,00 bruto aan achterstallig loon over de maanden februari 2025 en maart 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf respectievelijk 1 maart 2025 en 1 april 2025 tot de dag van de volledige betaling;
  • het netto-equivalent van € 650,44 bruto aan opgebouwde niet-genoten vakantie-uren over de maanden januari 2025 tot en met maart 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 april 2025 tot de dag van de volledige betaling;
  • het netto-equivalent van € 1.900,00 bruto aan opgebouwd vakantiegeld over de maanden juni 2024 tot en met maart 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 april 2025 tot de dag van de volledige betaling;
  • het netto-equivalent van € 1.825,11 bruto aan wettelijke verhoging, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 juli 2025 tot de dag van de volledige betaling;
  • een bedrag van € 740,02 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 juli 2025 tot de dag van de volledige betaling;
veroordeelt [B.V. 1] en [B.V. 2] hoofdelijk tot afgifte van de loonspecificaties over de maanden oktober 2024 tot en met maart 2025, binnen één maand na betekening van dit vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag of gedeelte daarvan dat [B.V. 1] en/of [B.V. 2] niet voldoen aan deze veroordeling binnen voornoemde termijn, met een maximum van € 5.000,00;
compenseert de proceskosten, in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst her meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Zander en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2025.