ECLI:NL:RBZWB:2025:6759

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 augustus 2025
Publicatiedatum
8 oktober 2025
Zaaknummer
11748419 VV EXPL 25-47 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • M. Zander
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Loonvordering in kort geding wegens onterecht verlaagde en opgeschorte loonbetaling

In deze zaak vordert de werknemer, [werknemer], in kort geding betaling van achterstallig loon van zijn werkgever, [werkgever] B.V. De werknemer stelt dat zijn loon ten onrechte is verlaagd en opgeschort door de werkgever. De werkgever had het loon van de werknemer in 2024 al verlaagd en heeft dit in 2025 opnieuw gedaan, wat de werknemer betwist. Hij stelt dat de werkgever niet zomaar eenzijdig de arbeidsvoorwaarden kan wijzigen en dat hij het addendum onder druk heeft getekend. De werknemer heeft zich op 14 april 2025 ziek gemeld en de werkgever heeft vervolgens het loon opgeschort omdat de werknemer zijn leaseauto niet had ingeleverd. De kantonrechter oordeelt dat de werkgever niet opnieuw het loon had mogen verlagen en dat de opschorting van het loon onterecht was. De kantonrechter wijst de vordering van de werknemer toe en veroordeelt de werkgever tot betaling van het achterstallige loon, wettelijke verhoging en rente. De kantonrechter overweegt dat de werknemer een spoedeisend belang heeft bij de vordering, aangezien het om zijn inkomen gaat. De werkgever wordt ook veroordeeld in de proceskosten, maar niet in de werkelijke kosten, omdat er geen sprake is van misbruik van procesrecht.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 11748419 \ VV EXPL 25-47
Vonnis in kort geding van 6 augustus 2025
in de zaak van
[werknemer],
wonende te [adres 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [werknemer],
gemachtigden: mr. L.P.M. Dimmer en mr. R.K.A. Kop, advocaten te Nijmegen,
tegen
[werkgever] B.V.,
statutair gevestigd te [plaats] en kantoorhoudende te [adres 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [werkgever],
vertegenwoordigd door [eigenaar 1] en [eigenaar 2], eigenaren.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 9 juli 2025 met producties;
- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van 23 juli 2025;
- de op de mondelinge behandeling overgelegde pleitnota van [werknemer], voor zover deze is voorgelezen.
Waar gaat deze zaak over?
[werknemer] vordert achterstallig loon, te vermeerderen met wettelijke verhoging, rente en werkelijke kosten. Hij stelt dat [werkgever] niet (nogmaals) zijn loon naar beneden had mogen bijstellen naar aanleiding van het tussen partijen getekende addendum bij de arbeidsovereenkomst. Ook heeft [werkgever] zijn loon enige tijd ten onrechte opgeschort toen hij de auto niet inleverde. Hij mocht de auto na ziekmelding immers nog twee maanden gebruiken volgens het autoreglement. [werkgever] wijst naar het addendum bij de arbeidsovereenkomst en de resultaten van [werknemer] over 2024. Ook voert zij aan meerdere malen om inlevering van de auto en andere goederen te hebben verzocht, waaraan [werknemer] niet voldeed. Het loon is dan ook terecht enige tijd niet betaald en opgeschort. De kantonrechter concludeert dat [werkgever] niet nogmaals tot verlaging van het loon had mogen overgaan. Ook had zij nog niet kunnen verwachten dat [werknemer] de auto zou inleveren. Het loon is dan ook ten onrechte niet betaald of enige tijd opgeschort. Er is vervolgens onvoldoende aanleiding om [werkgever] in de werkelijke proceskosten te veroordelen.

2.De feiten

Tussen partijen staat het volgende vast:
  • [werknemer] is op 2 december 2015 in dienst getreden bij [werkgever] in de functie van Media Adviseur;
  • [werknemer] had de beschikking over een leaseauto. Hierop was een binnen [werkgever] geldend reglement van toepassing, waarin is vermeld:
“(…)6. Inleveren van de auto
Werknemer is gehouden om op het eerste verzoek van Werkgever de hem ter beschikking gestelde auto wederom aan Werkgever ter beschikking te stellen gedurende de periode waarin hij zijn functie niet uitoefent. Ingeval van ziekte of arbeidsongeschiktheid kan Werkgever na verloop van 2 (twee) maanden om inlevering vragen (…)”;
- op 1 oktober 2022 is een addendum bij de arbeidsovereenkomst tussen partijen ondertekend, waarin een aanpassing van de provisieregeling is opgenomen. De aanpassing luidt als volgt:
“(…)Aanpassing provisieregeling:
Op basis van de tegenvallende resultaten van de afgelopen maanden, is dit zoals besproken een eenzijdige aanpassing op je provisieregeling. Onderstaande aanpassing geldt voor de periode augustus 2022 t/m december 2022. Bij het niet behalen van je jaartarget 2022 en je target van de laatste 5 maanden van 2022, wordt je basissalaris en provisieregeling aangepast naar onderstaand:

Minder dan 10% van je totale maandtargets (aug t/m dec), dan wordt je basissalaris met € 250,- per maand verlaagd en je provisieregeling en target naar rato aangepast.

Minder dan 25 % van 5 maanden target, dan wordt je basissalaris en target met 10 % verlaagd met de daarbij behorende provisieregeling.

Vanaf 2023 geldt voor iedereen een half jaar target ipv kwartaaltarget.

Heb je in het nieuwe jaar 2023, na 6 maanden 10 % boven je halfjaartarget gehaald, dan wordt je basissalaris met € 250,- verhoogd, en target aangepast naar je oude niveau met de daarbij behorende provisie regeling.

Heb je na 6 maanden 25 %, boven je haltjaartarget, dan wordt je basissalaris met 10 % verhoogd, en target aangepast naar je oude niveau.

Vanaf 2023 gelden de onderstaande afspraken.

Vanaf 2023 Kwartaaltarget wordt 6 maanden target ipv kwartaaltarget.

Alle geplaatste omzet boven 6 maanden target wordt beloond met 10% provisie.

Vanaf 2023 wordt het niet berekenen van de opmaakkosten, netto verrekend met je provisie.

Behalen maandtarget is € 200,- wordt netto betaald.

Behalen jaartarget minder dan 10 %, dan wordt je basissalaris met € 250,- per maand verlaagd en je provisieregeling en target naar rato aangepast.

Heb je na 6 maanden 10%, boven je halfjaartarget, dan wordt je basissalaris met € 250,- per maand verhoogd en target aangepast naar je oude niveau met de daarbij behorende provisie regeling

Behalen jaartarget minder dan 25%, dan wordt je basissalaris met en target met 10% verlaagd met de daarbij behorende provisieregeling.

Heb je na 6 maanden 25 %, boven je halfjaartarget, dan wordt je basissalaris met 10 % verhoogd, en target aangepast naar je oude niveau.

Heb je 125 % boven jaartarget behaald, dan gaatje salaris en target een stap omhoog.

Jaartarget behaald dan krijg je extra vrije dagen tussen kerst en nieuwjaar.

Zoals ook in het originele contract vermeld: klanten die uiteindelijk hun contracten en plaatsingen niet nakomen, dus niet betalen, wordt de omzet gecrediteerd op de eerst volgende betaal provisie. (…)”;
  • in 2024 is het loon van [werknemer] teruggebracht van € 3.000,00 bruto per maand naar € 2.750,00 bruto per maand wegens tegenvallende resultaten over 2023;
  • op 7 april 2025 heeft [werkgever] [werknemer] medegedeeld dat naar aanleiding van zijn resultaten over 2024 zijn loon nogmaals zou worden teruggebracht (naar € 2.500,00 bruto per maand);
  • [werknemer] heeft zich op 14 april 2025 per e-mailbericht ziek gemeld bij [werkgever];
  • op 8 mei 2025 verzoekt [werkgever] aan [werknemer] om zijn auto in te leveren;
  • op 13 mei 2025 verzoekt [werkgever] aan [werknemer] om zijn telefoon en laptop in te leveren;
  • op 20 mei 2025 is [werknemer] onderzocht door een bedrijfsarts. De bedrijfsarts concludeert dat er op dat moment geen benutbare mogelijkheden zijn, maar dat die er in de toekomst wel zullen komen. Hij adviseert [werknemer] nog niet te belasten en een vervolgconsult over zes weken te plannen;
  • [werkgever] heeft eind mei het loon opgeschort omdat zij van mening is dat [werknemer] de auto ten onrechte niet inlevert.

3.Het geschil

3.1.
[werknemer] vordert om bij voorlopige voorziening, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
[werkgever] te veroordelen tot nakoming van de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst;
[werkgever] te gebieden binnen twee dagen na dagtekening van dit vonnis over te gaan tot betaling van het achterstallige loon van [werknemer] over de periode januari tot en met juni 2025, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en wettelijke rente;
[werkgever] te veroordelen in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
Ter mondelinge behandeling heeft [werknemer] aangegeven dat een groot deel van het loon inmiddels is voldaan. Partijen zijn nog in geschil over de inhoudingen van € 250,00 per maand, de wettelijke verhoging, de wettelijke rente en [werknemer] vraagt [werkgever] te veroordelen in de werkelijke buitengerechtelijke kosten en proceskosten.
3.3.
[werknemer] stelt dat [werkgever], ondanks diverse sommaties van [werknemer], heeft nagelaten het volledige loon uit te betalen aan [werknemer] over de periode januari 2025 tot en met heden. [werkgever] heeft ten onrechte in april 2025 met terugwerkende kracht € 250,00 per maand aan loon ingehouden over de periode januari tot en met maart 2025. Vanaf mei tot en met juni 2025 is dit bedrag eveneens ingehouden. [werkgever] baseert het voorgaande op een door [werknemer] getekend addendum bij de arbeidsovereenkomst, maar een werkgever kan niet zomaar eenzijdig de arbeidsvoorwaarden van een werknemer wijzigen. Ook heeft [werknemer] het addendum onder druk getekend. Voor zover het addendum rechtsgeldig is, volgt uit de tekst van het addendum dat hooguit één keer het loon kan worden verlaagd en niet ieder jaar. Een jaar eerder heeft [werkgever] het loon van [werknemer] al verlaagd, zodat zij dit niet nogmaals had mogen doen. Het overige loon over mei tot en met juni 2025 is te laat betaald. [werkgever] heeft dit ten onrechte opgeschort, omdat zij van mening was dat [werknemer] zijn leaseauto en andere goederen van [werkgever] moest inleveren en dit niet deed. Met betrekking tot de auto geldt echter dat [werknemer] deze volgens het reglement nog twee maanden na zijn ziekmelding mocht gebruiken, zodat hij deze nog niet had hoeven inleveren. [werkgever] heeft dan ook ten onrechte het loon niet uitbetaald, zodat zij wettelijke verhoging, wettelijke rente en kosten verschuldigd is geworden. Het spoedeisend belang is gelegen in het feit dat het gaat om inkomen en [werknemer] geen andere mogelijkheid heeft om in zijn levensonderhoud te voorzien.
3.4.
[werkgever] B.V. voert verweer.
3.5.
Ter onderbouwing van haar verweer voert zij aan dat het loon conform het tussen partijen gesloten addendum naar beneden is bijgesteld. Een jaar eerder is dit ook al gebeurd. Dit jaar viel de verlaging toevallig samen met de ziekmelding van [werknemer]. Pas na het eerste kwartaal is voor [werkgever] inzichtelijk welke werknemers in aanmerking komen voor een loonsverlaging of -verhoging. Ook heeft [werkgever] er bezwaar tegen dat [werknemer] niet in contact wenst te treden. [werkgever] komt net uit Corona en doet haar best om te herstellen/groeien. Tussen [werknemer] en [werkgever] is in feite sprake van een arbeidsconflict en door zich ziek te melden en te weigeren in gesprek te gaan moet [werkgever] de omzet missen die hij zou kunnen genereren. [werkgever] heeft bovendien een loonstop doorgevoerd, omdat [werknemer] zijn spullen, waaronder de auto, weigerde in te leveren. Inmiddels zijn de auto en overige goederen ingeleverd, zodat het (verlaagde) loon tot en met juni 2025 en verschuldigde vakantiegeld is uitbetaald. Voor een veroordeling in de werkelijke buitengerechtelijke en proceskosten is geen ruimte, nu [werkgever] haar best heeft gedaan om er met [werknemer] uit te komen en er zelf ook veel extra tijd in heeft gestopt.

4.De beoordeling

Bevoegdheid Nederlandse rechter en toepasselijk recht:
4.1.
[werknemer] is woonachtig in Duitsland, zodat de kantonrechter moet beoordelen of de Nederlandse rechter bevoegd is de zaak te behandelen en welk recht op de overeenkomst van toepassing is.
4.2.
De kantonrechter is van oordeel dat de Nederlandse rechter bevoegd is de zaak te behandelen op grond van artikel 21 lid 1 onder a van de in deze toepasselijke Verordening (EU) nr. 1215/2012. De Nederlandse rechter is bevoegd, aangezien [werkgever] in Nederland gevestigd is.
4.3.
Voorts is van belang welk recht op de overeenkomst van toepassing is. Gelet op artikel 8 lid 1 in samenhang met artikel 3 lid 1 van de Verordening (EU) nr. 593/2008, is op de overeenkomst Nederlands recht van toepassing.
Ontvankelijkheid:
4.4.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De kantonrechter moet daarom eerst beoordelen of [werknemer] ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de kantonrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is.
4.5.
Aangezien de vorderingen van [werknemer] loon betreffen is de zaak naar zijn aard spoedeisend. Loon dient immers om in levensonderhoud te kunnen voorzien. [werknemer] is dan ook ontvankelijk in zijn vorderingen.
Nakoming van de arbeidsovereenkomst:
4.6.
Bij dagvaarding vordert [werknemer] nakoming van de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst en [werkgever] te gebieden diverse bedragen aan achterstallig loon, wettelijke verhoging, rente en kosten toe te betalen aan [werknemer]. Nu ter mondelinge behandeling enkel nog is gepersisteerd in de betaling van het verlaagde loon, de wettelijke verhoging, de wettelijke rente en de werkelijke kosten, begrijpt de kantonrechter dat de vordering feitelijk is verminderd tot die geschilpunten. Hij zal daar dan ook vanuit gaan bij de beoordeling van het geschil.
Aanpassing provisieregeling:
4.7.
[werkgever] heeft loon ingehouden op grond van de tussen partijen geldende aangepaste provisieregeling uit 2022. De stellingen van [werknemer] vallen uiteen in drie bezwaren tegen de loonsverlaging. Hij stelt dat een eenzijdige wijziging in de arbeidsvoorwaarden niet zomaar mag worden doorgevoerd en [werkgever] daar geen zwaarwegend belang bij heeft, hij stelt dat hij het addendum onder druk heeft moeten tekenen en hij stelt dat, voor zover het addendum rechtsgeldig (tot stand is gekomen), [werkgever] al eerder het loon heeft verlaagd op grond van het addendum. Dit mocht zij niet nogmaals doen.
4.8.
De kantonrechter acht de vordering op grond van het derde bezwaar van [werknemer] tegen de loonsverlaging al toewijsbaar, zodat de overige bezwaren niet hoeven te worden besproken. Een redelijke uitleg van het addendum brengt niet met zich mee dat [werkgever] het loon steeds maar (blijvend) kan verlagen. In de regeling wordt steeds gesproken over het aanpassen van het basissalaris, zodat uit de regeling voortvloeit dat het niet halen van de targets enkel kan leiden tot een eenmalige verlaging van het loon. Niet volgt uit de regeling dat het verlaagde loon voor de daaropvolgende jaren gezien moet worden als het basissalaris, zodat het loon in de praktijk oneindig kan worden verlaagd.
4.9.
Het gevorderde bedrag van € 1.500,00 aan achterstallig loon is dan ook toewijsbaar.
De wettelijke verhoging en wettelijke rente:
4.10.
[werknemer] vordert de wettelijke verhoging over voornoemd bedrag. Ook vordert hij de wettelijke verhoging en wettelijke rente over het resterende loon over mei en juni 2025, omdat die bedragen ook te laat (namelijk pas halverwege juli) zijn betaald. [werkgever] voert aan dat zij terecht het loon heeft opgeschort, omdat [werknemer] de goederen van [werkgever], waaronder de auto, niet in wilde leveren.
4.11.
Hiervoor is al overwogen dat de ingehouden ‘verlagingen’ van het loon ten onrechte zijn ingehouden, zodat over die bedragen de wettelijke verhoging en wettelijke rente verschuldigd zijn. Met betrekking tot de wettelijke rente is van belang dat de bedragen van € 250,00 bruto met betrekking tot de maanden januari tot en met maart 2025 pas in april 2025 zijn ingehouden, zodat [werkgever] over dat bedrag € 1.000,00 bruto (inclusief de inhouding over april 2025) de wettelijke rente vanaf 1 mei 2025 verschuldigd is geworden. De wettelijke rente over de onterechte inhouding over mei 2025 is verschuldigd vanaf 1 juni 2025.
4.12.
Met betrekking tot het resterende loon over mei en juni 2025 overweegt de kantonrechter dat tussen partijen vaststaat dat in het autoreglement is opgenomen dat een werknemer de auto nog twee maanden mag gebruiken na ziekmelding. Dit betekent dat [werkgever] van [werknemer] in beginsel niet had mogen verwachten dat hij voor 15 juni 2025 de auto in zou leveren. Hij had zich immers op 14 april 2025 ziek gemeld. Bij nadere bestudering van het dossier constateert de kantonrechter dat in artikel 12 van de arbeidsovereenkomst een kortere termijn van vier weken na ziekmelding staat vermeld. Voor zover [werkgever] hier een beroep op doet, had zij eind mei 2025 nog niet het recht het loon op te schorten. Bovendien zorgt artikel 12 van de arbeidsovereenkomst in samenhang met artikel 6 van het autoreglement voor onduidelijkheid die voor rekening en risico van [werkgever] komt, zodat ook dan van de tweemaandentermijn moet worden uitgegaan. [werkgever] had het loon van [werknemer] dus niet mogen opschorten op die grond.
4.13.
Hooguit had [werknemer] de andere goederen, zijn laptop en telefoon, al wel in moeten leveren. Dit is echter te weinig om een loonopschorting te rechtvaardigen.
4.14.
Het voorgaande betekent dat het loon te laat is betaald, zodat ook over die loonbedragen de wettelijke verhoging en wettelijke rente verschuldigd is. Gelet op de omstandigheden van het geval zal de kantonrechter de wettelijke verhoging beperken tot 25%. De wettelijke verhoging dient immers als prikkel om tijdig het loon te betalen. Die functie heeft de wettelijke verhoging in deze zaak niet meer, zodat een matiging op zijn plaats is.
Werkelijke proceskosten:
4.15.
[werkgever] B.V. is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. [werknemer] vraagt [werkgever] te veroordelen in de werkelijke proceskosten.
4.16.
De kantonrechter overweegt dat een veroordeling in de werkelijk gemaakte proceskosten volgens vaste jurisprudentie alleen toewijsbaar is in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is pas sprake als het instellen van de vordering of het voeren van verweer, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als een partij haar vordering of verweer baseert op feiten en omstandigheden waarvan zij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan zij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het voeren van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM (vgl. HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828).
4.17.
Naar het oordeel van de kantonrechter zijn de omstandigheden in de onderhavige zaak onvoldoende om tot een veroordeling in de werkelijke proceskosten te komen. De stellingen van [werkgever] lijken meer voort te vloeien uit onwetendheid dan kwade opzet. De proceskosten van [werknemer] worden, gelet op het voorgaande, begroot op:
- kosten van de dagvaarding
148,04
- griffierecht
90,00
- salaris gemachtigde
543,00
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
916,04
4.18.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [werkgever] om binnen twee dagen na heden aan [werknemer] te betalen::
  • van een bedrag van € 1.500,00 bruto aan achterstallig loon over de periode januari 2025 tot en met juni 2025;
  • van een bedrag van € 1.750,00 bruto aan wettelijke verhoging over het te laat betaalde loon over januari 2025 tot en met juni 2025;
  • de wettelijke rente over de te laat betaalde bedragen aan loon over de maanden april 2025 tot en met juni 2025 vanaf de opeisbaarheid van die bedragen tot de dag van de algehele voldoening;
5.2.
veroordeelt [werkgever] B.V. in de proceskosten van € 916,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werkgever] B.V. niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.3.
veroordeelt [werkgever] B.V. tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Zander en in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2025.