Uitspraak
[bedrijf],
1.De procedure
2.De feiten
(…) De redenen voor dit ontslag op staande voet zijn als volgt:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 8 oktober 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen een werknemer, aangeduid als [verzoeker], en haar werkgever, aangeduid als [verweerder]. De werknemer was sinds 1 november 2024 in dienst bij de werkgever als Planner/Sales/Personeel & Organisatie. Op 25 maart 2025 werd de werknemer geschorst en op 26 maart 2025 op staande voet ontslagen. De redenen voor het ontslag waren onder andere het belemmeren van een schorsingsonderzoek, het wissen van bedrijfsgevoelige informatie, schending van een geheimhoudingsbeding en een ernstige vertrouwensbreuk. De werknemer heeft het ontslag betwist en verzocht om financiële vergoedingen, waaronder salaris, vakantiedagen, en een billijke vergoeding.
De kantonrechter heeft geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig was, omdat er geen dringende reden was voor het ontslag. De werkgever heeft niet voldoende bewijs geleverd voor de gestelde redenen van ontslag. De kantonrechter heeft de werknemer in het gelijk gesteld en haar recht op verschillende financiële vergoedingen erkend, waaronder een billijke vergoeding van € 14.369,01, een vergoeding wegens onregelmatige opzegging van € 5.428,30, en een transitievergoeding van € 802,65. Daarnaast zijn ook andere verzoeken van de werknemer, zoals betaling van salaris, vakantiedagen en overuren, toegewezen. De proceskosten zijn voor rekening van de werkgever, die als verwijtbaar is aangemerkt voor het onterecht verlenen van het ontslag op staande voet.