ECLI:NL:RBZWB:2025:68
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen WOZ-waarde en aanslag onroerendezaakbelasting woning
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, vastgesteld op €310.000 per 1 januari 2022, en de daarop gebaseerde aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) voor 2023. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar ongegrond verklaard en de rechtbank heeft het beroep op 13 december 2024 behandeld.
Belanghebbende stelde dat de waarde maximaal €241.000 zou moeten zijn en voerde aan dat niet alle relevante gegevens, zoals liggingsfactoren en indexeringspercentages, waren verstrekt. De rechtbank oordeelde dat het taxatieverslag voldoende informatie bevatte en dat eventuele ontbrekende gegevens in de beroepsfase alsnog waren verstrekt, waardoor belanghebbende niet benadeeld was.
De waarde is vastgesteld met de vergelijkingsmethode, waarbij referentiewoningen zijn gebruikt die qua type, oppervlakte en ligging voldoende vergelijkbaar zijn. De rechtbank vond dat de heffingsambtenaar voldoende rekening had gehouden met verschillen in ligging, bouwjaar en onderhoudsstaat. De stellingen van belanghebbende over overlast en onjuiste grondstaffels werden niet aannemelijk gemaakt.
De rechtbank concludeerde dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld en dat het beroep ongegrond is. De aanslag OZB blijft gehandhaafd. Belanghebbende krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter M.L. Weerkamp op 8 januari 2025.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde en aanslag OZB is ongegrond verklaard en de vastgestelde waarde en aanslag worden gehandhaafd.