Uitspraak
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
1.[persoon 1] ,
2.
[persoon 2],
1.[persoon 3] ,
2.
[persoon 4],
1.De procedure
- het bericht van 19 augustus 2025 met productie(s) van [Partij B] ,
- de mondelinge behandeling van 26 augustus 2025, met daaraan voorafgaand een descente, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2.De feiten
de woonhuizen met schuur en tuin gelegen te [plaats 2] aan de [adres 1] , [adres 3] en [adres 4] , kadastraal bekend als het gehele perceel [kadastrale gegevens 1] , groot een are vijf en negentig centiare, alsmede een ter plaatse duidelijk aangegeven westelijk gedeelte van het perceel [kadastrale gegevens 2] , welk kadastraal perceel in zijn geheel drie are groot is” aan de heer [persoon 5] wordt overgedragen en dat “
de beneden- en bovenwoning met inrijpoort- en erf, kadastraal bekend als het resterende (niet onder A begrepen) gedeelte van het perceel [kadastrale gegevens 2]” aan de heer [persoon 6] wordt overgedragen. Het aan [persoon 5] overgedragen onroerend goed wordt in de akte aangeduid als “
het sub A omschreven onroerend goed”. Het aan [persoon 6] overgedragen onroerend goed wordt in de akte aangeduid als “
het sub B omschreven onroerend goed”.
Ten behoeve van het sub A omschreven onroerend goed, wordt bij deze gevestigd de erfdienstbaarheid van weg om, al dan niet met rijwielen, auto’s of andere vervoermiddelen te komen van gemelde schuur naar de [de straat] of omgekeerd, door de poort en de tuinen, welke behoren tot het sub B omschreven onroerend goed.
, welke is vastgelegd in een onderhands stuk, waaraan zij ook hun rechtsopvolgers zullen moeten binden.”
in aanmerking nemende:
en ten laste van de poort en de tuin welke behoren tot het door de ondergetekende sub 2 gekochte onroerend goed[het sub B omschreven Onroerend goed]
,
3.Het geschil
met inachtneming van de terugleveringsverplichting van de oostelijke zijde (parallel aan de erfgrens) bij afbraak van de schuur”.
dat zuidelijke gedeelte”, waarmee gerefereerd wordt aan het gedeelte dat [Partij B] althans hun rechtsvoorgangers in gebruik hebben. [Partij B] betwisten dat de staat van de schuur erg slecht is en dat het door [partij A] gestelde onderhoud moet worden uitgevoerd. Zij voeren ook verweer tegen de hoogte van de offerte van [naam] en tegen het toewijzen van een voorschot.
4.De beoordeling
overdragen” en niet over leveren. Daaruit volgt niet dat [persoon 5] als eigenaar van [adres 1] ook eigenaar is van de grond onder de schuur voor zover deze voorbij de aangewezen erfgrens steekt. Verder spreekt de bepaling van de onderhandse akte bij afbraak van de schuur over het
verplichtoverdragen. Daarmee zou beoogd kunnen zijn dat wordt voorkomen dat de eigenaar van [adres 1] op andere wijze/met een andere schuur het feitelijk gebruik van alle grond onder de schuur voortzet. Een opstalrecht is niet nodig om de eigendom van de gehele schuur bij [adres 1] te laten behoren.
dat zuidelijke gedeelte” voor hun rekening komen. Uit de tekst van de overeenkomst volgt dus niet dat [Partij B] de helft van de totale onderhoudskosten moeten betalen. [partij A] hebben geen omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat deze overeenkomst anders moet worden uitgelegd dan waar de tekst van de overeenkomst op duidt.
kosten van onderhoud en reparatie” in de onderhandse akte moet worden uitgelegd in het licht van de rest van de akte. Relevant is daarbij dat het gebruiksrecht van een deel van de schuur destijds werd gegeven in ruil voor een erfdienstbaarheid van weg. De bijdrage in de onderhoudskosten betreft dus geen compensatie voor het gratis gebruik van een deel van de schuur. Verder is relevant dat de schuur volledig eigendom is van [partij A] . De rechtbank is dan ook van oordeel dat de passage “
kosten van onderhoud en reparatie” zo moet worden uitgelegd dat daaronder vallen de kosten voor het in goede staat houden van het pand en dus de kosten van regulier onderhoud. Kosten voor complete vervanging van delen van de schuur doordat deze het einde van hun levensduur hebben bereikt of onvoldoende zijn onderhouden vallen daar niet onder. Ook valt niet in te zien waarom hogere eisen aan bijvoorbeeld het dak (met betrekking tot het water en wind dicht zijn) mede voor rekening van [Partij B] zouden moeten komen. Immers, vanaf de ondertekening van de onderhandse akte heeft het dak steeds bestaan uit een houtenraamwerk met daarop dakpannen. [partij A] hebben niet inzichtelijk gemaakt welke kosten zien op de zuidelijke helft van de schuur en welk deel van die kosten ziet op regulier onderhoud zodat de vordering ook om die reden moet worden afgewezen.