ECLI:NL:RBZWB:2025:6844

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
5 september 2025
Publicatiedatum
9 oktober 2025
Zaaknummer
C/02/431202 / FA RK 25-402
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Triest
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 7 lid 1 EU-Verordening 2019/1111 (Brussel II-ter)Art. 265 RvArt. 16 HKBV 1996Art. 15 HKBV 1996
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing eenhoofdig ouderlijk gezag wegens onbereikbaarheid vader en belang minderjarige

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 5 september 2025 uitspraak gedaan in een verzoek van de moeder om het gezamenlijk ouderlijk gezag over haar minderjarige kind te wijzigen in eenhoofdig gezag ten gunste van haarzelf. De vader is onbereikbaar, heeft al jaren geen contact met het kind en verblijft vermoedelijk zonder vaste woon- of verblijfplaats in de Verenigde Staten. De moeder en het kind wonen sinds november 2022 in Nederland.

De rechtbank stelde vast dat partijen bij geboorte gezamenlijk gezag hadden op grond van het recht van California, waar het kind is geboren. Door de verhuizing naar Nederland bleef het gezamenlijke gezag van kracht. De moeder heeft toestemming van de vader voor de verhuizing kunnen aantonen met een ondertekend toestemmingsformulier.

De rechtbank oordeelde dat de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat gezamenlijke gezagsuitoefening niet langer mogelijk is. De vader is niet bereikbaar en betrokkenheid ontbreekt, waardoor noodzakelijke beslissingen over het kind niet voortvarend kunnen worden genomen. Het belang van het kind vereist dat de moeder voortaan alleen het gezag krijgt toegewezen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de proceskosten worden ieder voor eigen rekening gedragen.

Uitkomst: De moeder wordt eenhoofdig gezag over de minderjarige toegekend wegens onbereikbaarheid en niet-betrokkenheid van de vader.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/431202 / FA RK 25-402
datum uitspraak: 5 september 2025
beschikking over gezag
in de zaak van
[de vrouw],
hierna: de vrouw,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. A.C.M. den Ridder-Van der Meijden in Raamsdonkveer,
tegen
[de man],
hierna: de man,
zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen of buiten Nederland,
over de minderjarige:
-
[minderjarige], geboren te [geboorteplaats] (State of California, USA) op [geboortedag] 2019, hierna: [minderjarige] .
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1.Het procesverloop

1.1
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
  • het op 23 januari 2025 ontvangen verzoek met bijlagen;
  • het door mr. Den Ridder-Van der Meijden op 28 januari 2025 ingediende BRP-
  • uittreksel van [minderjarige] ;
  • de oproep van de man door de griffier van deze rechtbank in de Staatscourant van 24 februari 2025;
  • het in deze zaak opgemaakte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 26 juni 2025;
  • het F9-formulier met bijlagen van mr. Den Ridder-Van der Meijden van 27 juni 2025;
  • het F9-formulier van mr. Den Ridder-Van der Meijden van 4 juli 2025;
  • de oproep van de man door de griffier van deze rechtbank in de Staatscourant van 9 juli 2025.
1.2
Op 26 juni 2025 heeft de rechtbank na de mondelinge behandeling zonder inhoudelijke behandeling van het verzoek van de vrouw de zaak aangehouden. De advocaat van de vrouw is, zoals blijkt uit het proces-verbaal van 26 juni 2025, in de gelegenheid gesteld de rechtbank nader schriftelijk te informeren over een woon-, verblijf-, post- of e-mailadres van de man of, bij gebreke daarvan, een beschrijving te geven van de inspanningen die zij heeft verricht om een dergelijk adres te achterhalen, onder overlegging van bewijsstukken.
1.3
Op 27 juni 2025 heeft de advocaat van de vrouw stukken overgelegd waaruit blijkt dat de vrouw inspanningen heeft verricht om de verblijfplaats van de man te achterhalen, maar dat dit niet is gelukt. Wel is via whatsapp contact gelegd met de moeder en de zus van de man.
1.4
Op 26 augustus 2025 is de mondelinge behandeling met gesloten deuren voortgezet. Bij die behandeling zijn verschenen en gehoord:
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • een vertegenwoordigster namens de Raad.
1.5
Als toehoorster was een medewerkster van de rechtbank aanwezig. De rechtbank
heeft haar, met instemming van aanwezigen, bijzondere toestemming daartoe verleend.
1.6
De man is niet bij de mondelinge behandeling verschenen. Naast een oproep in de Staatscourant is de man vervolgens voor de tweede mondelinge behandeling ook opgeroepen via de familie van de man in de USA en op een bij de rechtbank bekend e-mailadres van de man. Nu de rechtbank aldus de man op de juiste wijze heeft opgeroepen, is de mondelinge behandeling voortgezet in afwezigheid van de man.
1.7
Na de mondelinge behandeling van 26 augustus 2025 heeft de rechtbank, met instemming van de rechtbank, nog ontvangen:
- het F9-formulier met bijlagen van mr. Den Ridder-Van der Meijden van 27 augustus 2025.

2.De feiten

2.1
Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] 2018 te Los Angeles (State of California, USA).
2.2
Bij beschikking van deze rechtbank van 14 december 2023 is de echtscheiding uitgesproken. Op 17 mei 2024 heeft de rechtbank voormelde beschikking aangevuld. De echtscheiding is op 28 mei 2024 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand die daarvoor zijn bedoeld.
2.3
Tijdens het huwelijk van partijen is te [geboorteplaats] (State of California, USA) op [geboortedag] 2019 [minderjarige] geboren.
2.4
[minderjarige] heeft vanaf haar geboorte tot 16 november 2022 in de USA verbleven en aldaar haar gewone verblijfplaats gehad. Op 16 november 2022 is [minderjarige] met de vrouw verhuisd naar Nederland. Sindsdien woont zij in Nederland.
2.5
De vrouw en [minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit. De nationaliteit van de man is onbekend.

3.Het verzoek

3.1
De vrouw verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat het ouderlijk gezag over [minderjarige] aan haar alleen toekomt en de gewijzigde gezagsvoorziening aan te tekenen in het gezagsregister.
3.2
De man is niet verschenen in de procedure en heeft dan ook geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de vrouw.

4.De standpunten

4.1
Ter onderbouwing van haar verzoek heeft de vrouw, samengevat, het navolgende aangevoerd. Alvorens inhoudelijk op het verzoek in te gaan, voert de vrouw aan dat de Nederlandse rechtbank bevoegd is op het verzoek te beslissen en dat Nederlands recht op het verzoek moet worden toegepast. Verder voert de vrouw aan dat beide partijen van rechtswege met het gezag over [minderjarige] zijn belast. De vrouw veronderstelt dat partijen naar Amerikaans recht al gezamenlijk gezag hadden over [minderjarige] . Dit is echter in zoverre irrelevant omdat partijen in ieder geval gezamenlijk gezag over [minderjarige] hebben gekregen op het moment dat [minderjarige] en de vrouw naar Nederland zijn verhuisd.
4.2
De vrouw voert aan dat partijen een belaste voorgeschiedenis hebben. Het huwelijk van partijen was zeer gewelddadig en kenmerkte zich door aanhoudende mishandelingen. In 2022 besloot de vrouw te vluchten naar Nederland omdat zij vreesde voor haar leven en dat van [minderjarige] . De vrouw weet niet waar de man op dit moment verblijft. Zij heeft begrepen dat hij in zijn auto leeft nadat hij uit zijn appartement is gezet. De man vraagt niet naar [minderjarige] en zoekt ook geen contact met de vrouw. De vrouw heeft lange tijd nog foto's van [minderjarige] naar de familie van de man gestuurd maar is daarmee gestopt toen haar ter ore kwam dat de man nooit iets met de foto’s deed. [minderjarige] heeft de man op dit moment al ruim twee jaar niet gezien. Zij wil ook geen contact met hem en is beschadigd door alles wat zij heeft meegemaakt. Vaststaat dat de man niet in staat is zijn ouderlijke verantwoordelijkheid goed in te vullen. De vrouw vreest voor praktische problemen en maakt zich zorgen over wat er gebeurt als zij zou komen te overlijden. De man heeft daarbij geen idee wat er speelt in het leven [minderjarige] en is niet bekend met haar ontwikkelingen. Verbetering is hierin ook geenszins te verwachten. Bij dit alles komt dat de vrouw momenteel veel lichamelijke klachten ervaart waardoor haar gezondheidssituatie onzeker is. Dit is voor de vrouw reden te meer om de zaken voor [minderjarige] goed te willen regelen.
4.3
Gelet op het voorgaande bestaat er volgens de vrouw een onaanvaardbaar risico dat [minderjarige] klem en verloren raakt bij voortzetting van het gezamenlijke gezag. Er is immers geen klimaat voor gezamenlijke uitoefening van het gezag, omdat de man vanwege zijn onbereikbaarheid in de weg staat aan het nemen van voor [minderjarige] noodzakelijke beslissingen. Eenhoofdig gezag is ook anderszins in het belang van [minderjarige] noodzakelijk. De vrouw acht het dan ook in het belang van [minderjarige] dat de juridische situatie in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke situatie.
4.4
De rechtbank heeft de vrouw tijdens de mondelinge behandeling gevraagd of zij in 2022 met toestemming van de man naar Nederland is verhuisd. De vrouw heeft aangevoerd dat zij toestemming van de man heeft verkregen om met [minderjarige] naar Nederland te reizen. Zij is in de gelegenheid gesteld als bewijs daarvan alsnog stukken aan de rechtbank te sturen. Deze stukken zijn op 27 augustus 2025 ontvangen. Het betreft een ‘Authorisation form for traveling abroad of minor’ samen met een ‘California All-purpose Acknowledgement’ van 13 november 2022.
4.5
De Raad adviseert, samengevat, als volgt. De Raad kan het verzoek van de vrouw volgen. De man is al lange tijd niet betrokken bij [minderjarige] waardoor hij geen zicht heeft op de ontwikkeling en behoefte van [minderjarige] en niet weet bij welke gezagsbeslissingen zij gebaat is. Desondanks wenst de Raad wel met zekerheid vast te stellen of de man toestemming heeft gegeven voor de verhuizing. Als de vrouw hiervan geen stukken kan verstrekken, wenst de Raad een onderzoek te verrichten om kinderontvoering uit te sluiten. Als de vrouw wel de juiste stukken kan overleggen, adviseert de Raad het verzoek van de vrouw toe te wijzen.

5.De beoordeling

Bevoegdheid en toepasselijk recht
5.1
Aangezien [minderjarige] in het buitenland is geboren en haar gewone verblijfplaats heeft
gehad in het buitenland, draagt deze zaak een internationaal karakter. Gelet op deze
internationale aspecten dient de rechtbank eerst vast te stellen of de rechtbank internationaal
bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek, en zo ja, welk recht van toepassing is op het
verzoek.
5.2
Op grond van artikel 7 lid 1 van Pro de EU-Verordening 2019/1111 van 25 juni 2019
betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in
huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale
kinderontvoering (hierna: Brussel II-ter), is de Nederlandse rechter bevoegd het verzoek van
de vrouw te beoordelen, omdat [minderjarige] op het moment van indiening van het verzoek haar
gewone verblijfplaats had in Nederland. Op grond van artikel 265 Wetboek Pro van Burgerlijke
Rechtsvordering (hierna: Rv) is de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, relatief
bevoegd nu het verzoek een minderjarige betreft die woonplaats heeft in het arrondissement
van deze rechtbank.
5.3
Het toepasselijk recht dient te worden vastgesteld aan de hand van het Verdrag
inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de
samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter
bescherming van kinderen, Trb. 1997, 299, oftewel het Haag Kinderbeschermingsverdrag
1996 (hierna: HKBV 1996). Op grond van artikel 15 HKBV Pro 1996 wordt het Nederlands
recht toegepast op het verzoek.
Van rechtswege gezagsverhouding
5.4
Alvorens het verzoek van de vrouw inhoudelijk te kunnen behandelen, dient de rechtbank allereerst vast te stellen wie op het moment van indiening van het verzoek met het gezag over [minderjarige] is belast. Er is op dit moment geen – voor de Nederlandse rechter kenbare - rechterlijke beslissing betreffende het gezag, waardoor de vraag rijst wie van rechtswege met het gezag over haar is belast. Voor de vraag wie van rechtswege is belast met het ouderlijk gezag moet gekeken worden naar artikel 16 HKBV Pro 1996.
5.5
Aangezien [minderjarige] in [geboorteplaats] , State of California (USA) is geboren en in ieder geval tot 16 november 2022 daar heeft gewoond, lag haar gewone verblijfplaats vanaf geboorte in de USA. De van rechtswege gezagsverhouding dient daarom in eerste instantie op grond van artikel 16 lid 1 HKBV Pro 1996 naar het recht van de USA
te worden beoordeeld. In de USA verschilt de wetgeving met betrekking tot de ouderlijke verantwoordelijkheid van staat tot staat. Nu [minderjarige] is geboren in [geboorteplaats] , California, dient de van rechtswege gezagsverhouding naar het recht van de staat California beoordeeld te worden.
5.6
Naar het recht van California hebben de moeder en de vader van een kind, op voorwaarde dat deze laatste de vermoedelijke vader is, gelijk gezag over het kind (
California Family Code § 3010). De vader wordt naar het recht van California geacht de vermoedelijk vader te zijn als hij en de biologische moeder met elkaar gehuwd zijn of zijn geweest en het kind is geboren tijdens het huwelijk (
California Family Code § 7611 en § 7540 ).
5.7
Nu vaststaat dat partijen getrouwd waren ten tijde van de geboorte van [minderjarige] , is de rechtbank van oordeel dat partijen op grond van voornoemde wettelijke bepalingen vanaf de geboorte van [minderjarige] gezamenlijk met het gezag over haar waren belast.
5.8
In 2022 is [minderjarige] met de moeder verhuisd naar Nederland. Vanaf dit moment is de gewone verblijfplaats van [minderjarige] gewijzigd van de USA naar Nederland.
Nu partijen naar het recht van California gezamenlijk waren belast met het gezag, blijven zij op grond van artikel 16 lid 3 HKBV Pro 1996 gezamenlijk met het gezag belast. Het op grond van het recht van de Staat van de gewone verblijfplaats van het kind bestaande ouderlijke verantwoordelijkheid blijft namelijk bestaan na verplaatsing van die gewone verblijfplaats naar een andere Staat. Dit betekent dat op het moment van indiening van het verzoek door de moeder partijen met het gezamenlijk gezag over [minderjarige] zijn belast.
Inhoudelijke beoordeling
5.1
De rechtbank is van oordeel dat uit de door de vrouw overgelegde stukken genoegzaam is gebleken dat de man toestemming heeft gegeven voor de verhuizing van de vrouw en [minderjarige] naar Nederland in 2022. In het overgelegde toestemmingsformulier dat door zowel de man als de vrouw is ondertekend staat namelijk bij ‘period of travel’:
from nov 13 ’22 to /.
Verzoek eenhoofdig gezag
5.11
In artikel 1:253n lid 1 BW staat dat de rechter op verzoek van de ouders die niet met elkaar zijn getrouwd of een van hen het gezamenlijk gezag kan beëindigen. Dat kan als de omstandigheden zijn veranderd sinds de ouders samen het gezag hebben gekregen of als de rechtbank van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan toen hij het gezamenlijk gezag heeft vastgesteld. In dat geval beslist de rechtbank wie van de ouders voortaan alleen het gezag over de minderjarige krijgt. In artikel 1:253n lid 2 BW staat dat artikel 1:251a lid 1 BW van toepassing is. In dat artikel staat dat de rechter kan beslissen dat het gezag over een kind naar één ouder gaat als er een onacceptabel risico is dat, als allebei de ouders het gezag houden, dit kind erg klem komt te zitten tussen die ouders en het er niet naar uitziet dat dit binnen korte tijd verbetert of als een verandering van het gezag op een andere manier in het belang van het kind noodzakelijk is.
5.12
De rechtbank dient eerst te beoordelen of er sprake is van gewijzigde
omstandigheden. Uit hetgeen de vrouw naar voren heeft gebracht, begrijpt de rechtbank dat
ieder contact tussen de man en [minderjarige] ontbreekt.
De verblijfplaats van de man is onbekend voor [minderjarige] en de vrouw, maar ook voor de familie
van de man. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheden dermate zijn
gewijzigd dat de vrouw kan worden ontvangen in haar verzoek.
5.13
De rechtbank stelt bij de beoordeling van het verzoek voorop dat het uitgangspunt van de wet is dat ouders gezamenlijk het gezag over hun kind uitoefenen. Voor gezamenlijk gezag is echter wel vereist dat partijen in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans ten minste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond hun kind kunnen voordoen. Uit de ingediende stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, blijkt dat hiervan geen sprake is. De rechtbank volgt de vrouw in haar standpunt dat, nu de man al geruime tijd onbereikbaar is en vermoedelijk zonder vaste woon- of verblijfplaats in de USA verblijft, het niet langer mogelijk is om samen met hem het gezag over [minderjarige] uit te oefenen. De vrouw heeft getracht in contact te komen met de man via zijn familie maar ook voor hen is de verblijfplaats van de man onbekend. Vaststaat dan ook dat de vrouw op geen enkele manier meer in contact kan komen met de man wanneer de situatie van [minderjarige] daar om vraagt. In de toekomst zullen er beslissingen over [minderjarige] genomen moeten worden, zoals medische beslissingen en inschrijving bij een school. Door het ontbreken van contact en de mogelijkheid tot contact met de man kunnen deze beslissingen bij voortduring van het gezamenlijke gezag niet (voortvarend) worden genomen. Hoewel de vrouw op dit moment nog niet tegen praktische belemmeringen in de uitoefening van haar gezag over [minderjarige] is aangelopen, acht de rechtbank de kans zeer aannemelijk dat dit in de toekomst wel zal gebeuren als partijen gezamenlijk met het gezag belast blijven.
5.14
Bovendien heeft de man de afgelopen jaren laten zien dat hij geen invulling wil of kan geven aan het ouderlijk gezag. De man is niet meer betrokken in het leven van [minderjarige] en heeft al jaren geen contact meer met haar gehad. Hij weet daardoor niet wat zich in het leven van [minderjarige] afspeelt en bij welke gezagsbeslissingen zij het meest gebaat is. Deze situatie is al geruime tijd aan de orde en niet te verwachten valt dat hierin binnen afzienbare tijd verbetering zal komen.
5.15
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het anderszins in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is dat de vrouw voortaan alleen met het gezag over haar wordt belast. Het verzoek van de vrouw zal dan ook worden toegewezen zodat de juridische situatie in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke situatie en de vrouw en [minderjarige] de rust en duidelijkheid krijgen die zij nodig hebben. De rechtbank betrekt daarbij ook de angst van de vrouw over wat er met [minderjarige] zou gebeuren als zij onverhoopt zou komen te overlijden en de man nog met het gezag zou zijn belast. Door toewijzing van het verzoek wordt de vrouw in staat gesteld om alle zaken voor [minderjarige] op een goede manier te regelen. Tot slot spreekt de rechtbank het vertrouwen uit richting de vrouw dat zij contact tussen de man en [minderjarige] zal ondersteunen indien de man toch weer contact met hen opneemt en [minderjarige] open staat voor contact met hem.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.16
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
Proceskosten
5.17
De proceskosten zullen gelet op de aard van de zaak tussen partijen worden gecompenseerd in die zin dat ieder de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1
bepaalt dat de vrouw voortaan alleen het gezag heeft over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2019 te [geboorteplaats] (USA);
6.2
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3
verzoekt de griffier om krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een aantekening te maken van de beslissing in het centraal gezagsregister;
6.4
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 september 2025 door mr. Van Triest, rechter, in aanwezigheid van mr. Van der Linde, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.