ECLI:NL:RBZWB:2025:6904

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 oktober 2025
Publicatiedatum
13 oktober 2025
Zaaknummer
11774421 AZ VERZ 25-44 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • mr. Van Dam
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag op staande voet en rechtsgeldigheid van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst

In deze zaak heeft de werkgever aan de werknemer ontslag op staande voet verleend, met als dringende reden dat de werknemer zich zou hebben vergrepen aan de boekhoudster. De werknemer betwist deze beschuldiging en stelt dat het ontslag niet rechtsgeldig is gegeven. De kantonrechter heeft vastgesteld dat de werkgever onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd om de dringende reden te onderbouwen. De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is, omdat het vergrijpen niet is komen vast te staan. De werknemer heeft recht op vergoedingen vanwege het onterecht gegeven ontslag, waaronder een gefixeerde schadevergoeding, een transitievergoeding en een billijke vergoeding. De kantonrechter heeft de werkgever veroordeeld tot betaling van deze vergoedingen en de proceskosten, en heeft het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen, omdat de procedure inmiddels was geëindigd.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Bergen op Zoom
Zaaknummer / rekestnummer: 11774421 \ AZ VERZ 25-44
Beschikking van 13 oktober 2025
in de zaak van
[werknemer],
te [plaats 1] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [werknemer] ,
gemachtigde: mr. E.W. de Vries,
tegen
[werkgever] B.V.,
te [plaats 2] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [werkgever] ,
vertegenwoordig door haar bestuurder de heer [bestuurder] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het op 1 juli 2025 op de griffie ontvangen verzoekschrift met producties 1 tot en met 7;
- de mondelinge behandeling van 15 september 2025.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[werknemer] is op 1 januari 2025 in dienst getreden van [werkgever] , op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot 1 januari 2026. De laatste functie van [werknemer] was bedrijfsleider met een loon van € 5.820,00 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag.
2.2.
Op 14 maart 2025 heeft een feestelijke opening van [werkgever] plaatsgevonden.
2.3.
Op 13 mei 2025 heeft de heer [bestuurder] , bestuurder/directeur van [werkgever] , een gesprek gehad met [werknemer] . In dat gesprek meldde [bestuurder] dat hij niet tevreden was over het functioneren van [werknemer] en dat hij het dienstverband van [werknemer] wilde beëindigen. [werknemer] is toen op non-actief gesteld.
2.4.
[werkgever] en [werknemer] hebben vervolgens gecorrespondeerd over beëindiging van het dienstverband, maar zij hebben daarover geen overeenstemming bereikt.
2.5.
Bij brief van 6 juni 2025 heeft [werkgever] aan [werknemer] ontslag op staande voet verleend. Als redenen heeft zij vermeld: disfunctioneren, een verstoorde arbeidsverhouding en verwijtbaar handelen, en:
“Nadien, op 28 mei 2025 hebben onze adviseurs ( [juristenkantoor] ) u een nieuw aanbod gedaan, dat onder meer voorzag in een einddatum dienstverband van 1 augustus 2025.
Sindsdien is gebleken dat:
U richting onze werknemers enthousiast ventileert dat u het dienstverband wenst te rekken tot aan het einde van 2025: “Gaat wel lekker zo”.
U een eigen bedrijf uitoefent en daarvoor personeel werft. Dat betekent dat u, al zouden wij u wederom tewerkstellen, niet in staat zou zijn de bedongen arbeid te verrichten.
Door uw handelen (voormalige) klanten de relatie met [werkgever] BV hebben verbroken. Dat heeft ons omzet gekost ten bedrage van EUR 50.000,00, waarbij een marge past van tenminste EUR 8.500,00. We zullen u deswege voor dit verlies aansprakelijk stellen. De vordering daartoe ontvangt een dezer dagen.
Heden is verder gebleken:
4.
Op 7 maart 2025 vond de officiële opening van [werkgever] BV plaats. Het is ons thans bekend geworden dat u zich op die avond hebt vergrepen aan de door ons ingehuurde boekhoudster. Of zij daarvan reeds aangifte heeft gedaan is ons onbekend. Feit is dat zij zich daardoor aangetast voelt in haar lichamelijke integriteit en haar beklag heeft gedaan bij haar werkgever, waarvan hij ons heden op de hoogte heeft gesteld.
Het behoeft geen betoog dat de som van deze klachten en zeker het incident dat op 7 maart jongstleden plaatsvond moet leiden tot ontslag, en wel met ingang van vandaag. Daarmee zijn ook onze eerdere voorstellen tot afdoening van de arbeidsrelatie ingetrokken.”

3.Het verzoek

3.1.
[werknemer] verzoekt in zijn verzoekschrift – samengevat – bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
als
voorlopige voorziening, voor de duur van de procedure, [werkgever] te veroordelen:
om [werknemer] in staat te stellen zijn gebruikelijke werkzaamheden te verrichten, op straffe van een dwangsom;
onder overlegging van deugdelijke specificaties aan [werknemer] te betalen het verschuldigde loon vanaf 6 juni 2025, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en wettelijke rente;
primair:
de opzegging van 6 juni 2025 te vernietigen;
en [werkgever] te veroordelen:
om [werknemer] in staat te stellen zijn gebruikelijke werkzaamheden te verrichten, op straffe van een dwangsom;
aan [werknemer] te betalen het verschuldigde loon vanaf 6 juni 2025, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en wettelijke rente;
aan [werknemer] te verstrekken (een) schriftelijke en deugdelijke netto/bruto specificatie(s), op straffe van een dwangsom;
subsidiair[werkgever] te veroordelen aan [werknemer] te betalen:
een billijke vergoeding van € 44.000,00 bruto;
de gefixeerde schadevergoeding van € 11.000,00 bruto;
de transitievergoeding van € 1.228,00 bruto;
de wettelijke rente;
en:
[werkgever] te veroordelen aan [werknemer] te verstrekken (een) schriftelijke en deugdelijke netto/bruto specificatie(s), op straffe van een dwangsom;
meer subsidiair[werkgever] te veroordelen aan [werknemer] :
te betalen de transitievergoeding van € 1.228,00 bruto;
te verstrekken een schriftelijke en deugdelijke netto/bruto specificatie, op straffe van een dwangsom;
te betalen de wettelijke rente;
primair, subsidiair en meer subsidiair[werkgever] te veroordelen aan [werknemer] te betalen:
de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.337,00;
de proceskosten, te vermeerderen met de nakosten.
3.2.
[werknemer] heeft tijdens de mondelinge behandeling de zogenoemde “switch” gemaakt, dat wil zeggen dat hij zijn primaire verzoek tot vernietiging van het ontslag heeft ingetrokken en dus heeft berust in de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Hij heeft zijn subsidiaire en meer subsidiaire verzoeken gehandhaafd. Ook heeft hij het verzoek om een voorlopige voorziening gehandhaafd.
3.3.
[werknemer] heeft aan zijn verzoeken ten grondslag gelegd dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven omdat de dringende reden daarvoor ontbreekt en het ontslag niet onverwijld is gegeven. Hij maakt aanspraak op vergoedingen die verband houden met het niet-rechtsgeldige ontslag.
3.4.
[werkgever] voert verweer.
3.5.
Op de standpunten van partijen zal – voor zover van belang – onder de beoordeling worden ingegaan.

4.De beoordeling

Ontslag op staande voet
4.1.
Een ontslag op staande voet is een uiterst middel om een arbeidsovereenkomst te beëindigen, gelet op de grote (financiële) gevolgen daarvan voor de werknemer. Een ontslag op staande voet is daarom alleen geldig als daarvoor een dringende reden aanwezig is en het ontslag onverwijld is gegeven onder onverwijlde mededeling van de dringende reden aan de wederpartij (artikel 7:677 lid 1 BW).
Dringende reden
4.2.
[werkgever] heeft de dringende reden in de ontslagbrief van 6 juni 2025 gegrond op: de som van de klachten in de brief en zeker het incident tijdens de opening op 14 maart 2025 (zie punt 2.4). [werkgever] heeft in zijn brief abusievelijk 7 maart 2025 als datum van de opening vermeld maar dat moet zijn 14 maart 2025. Het gaat er dus om wat er tijdens de opening op 14 maart 2025 is gebeurd en of dat een dringende reden oplevert, op zichzelf genomen of tezamen met de andere klachten in de brief van 6 juni 2025.
4.3.
Partijen verschillen van mening over wat er is gebeurd tijdens de opening op 14 maart 2025. Volgens [werkgever] heeft [werknemer] zich tijdens de opening vergrepen aan de boekhoudster, mevrouw [naam] .
4.4.
[werknemer] betwist dat. Hij voert aan dat hij tijdens de opening heeft gesproken met [naam] en daarbij per ongeluk haar billen heeft aangeraakt. [werknemer] voert aan dat hij direct zijn excuses heeft aangeboden en dat het daarmee was afgedaan voor [naam] .
4.5.
De kantonrechter overweegt dat aangezien [werkgever] stelt dat er een dringende reden is voor een ontslag op staande voet, zij daarvoor voldoende feiten en omstandigheden moet stellen en die zonodig moet bewijzen.
4.6.
Gelet op de gemotiveerde betwisting door [werknemer] lag het op de weg van [werkgever] om te concretiseren hoe volgens haar het beweerdelijke vergrijpen door [werknemer] heeft plaatsgevonden en dat het dus meer was dan de door [werknemer] aangevoerde ongelukkige aanraking. Dat heeft [werkgever] niet gedaan. Feiten en omstandigheden over hoe het vergrijpen zou zijn gegaan, heeft zij niet gesteld. Het voorgaande geldt des te meer gelet op de door [werknemer] overgelegde chat tussen hem en [naam] vanaf 15 maart 2025, een dag na de opening van [werkgever] (productie 7 van [werknemer] ). Die wijst niet op een (ongewenst) vergrijpen door [werknemer] . Integendeel, de chat biedt juist een aanwijzing dat er tussen hen niets aan de hand is. Zij wisselen vriendschappelijke berichten uit over restaurants in Amsterdam.
4.7.
[werkgever] stelt nog dat [naam] bij de politie aangifte heeft gedaan jegens [werknemer] voor het vergrijpen. [werknemer] betwist dat. Een nadere toelichtingen van [werkgever] waaruit de aangifte blijkt, was op zijn plaats geweest, maar die ontbreekt.
4.8.
[werkgever] stelt onvoldoende feiten en omstandigheden waaruit het vergrijpen door [werknemer] blijkt. Aan het leveren van bewijs van bepaalde feiten en omstandigheden wordt daarom niet toegekomen.
4.9.
Het beweerdelijke vergrijpen door [werknemer] is niet komen vast te staan. Wat wel vaststaat, is een ongelukkige aanraking omdat [werknemer] dat erkent. Een incidentele ongelukkige aanraking levert echter geen dringende reden op voor een ontslag op staande voet.
4.10.
Aangezien het vergrijpen niet is komen vast te staan, hoeft ook niet te worden getoetst of de som van klachten in de ontslagbrief van 6 juni 2025 wel een ontslag op staande voet oplevert. [werkgever] heeft in de ontslagbrief niet het voorbehoud gemaakt dat indien het vergrijpen niet komt vast te staan, de andere klachten voor hem nog steeds een dringende reden voor ontslag opleveren. Volgens vaste rechtspraak hoefde [werknemer] daar dan ook geen rekening mee te houden (HR 16 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW6109).
4.11.
Gelet op het voorgaande is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig gegeven.
Gefixeerde schadevergoeding
4.12.
Omdat de opzegging per 6 juni 2025 niet rechtsgeldig is gegeven, is sprake van een onregelmatige opzegging. [werkgever] is daarom aan [werknemer] een gefixeerde vergoeding verschuldigd, gelijk aan het loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren (artikel 7:672 lid 11 BW). Bij regelmatige opzegging – met inachtneming van de opzegtermijn van een maand, tegen het einde van de maand in artikel 1 lid 5 van de arbeidsovereenkomst (productie 1 van [werknemer] ) – had de arbeidsovereenkomst voortgeduurd tot 1 augustus 2025. [werknemer] heeft de gefixeerde schadevergoeding berekend op € 11.000,00 bruto. Dat bedrag overschrijdt niet de gefixeerde schadevergoeding waarop [werknemer] recht heeft, en zal worden toegewezen.
Transitievergoeding
4.13.
Vanwege de beëindiging van de arbeidsovereenkomst is [werkgever] een transitievergoeding verschuldigd. Uitgaande van het dienstverband van 1 januari 2025 dat bij een regelmatige opzegging op 1 augustus 2025 zou eindigen en het loon van € 5.820,00 bruto per maand, vermeerderd met 8% vakantietoeslag, bedraagt de transitievergoeding
€ 1.222,20 bruto (artikel 7:673 lid 2 BW). Dat bedrag zal worden toegewezen.
Billijke vergoeding
4.14.
Omdat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven, is [werkgever] in beginsel ook een billijke vergoeding verschuldigd (artikel 7:681 lid 1 sub a BW). Het geven van een ongeldig ontslag is als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever aan te merken. Voor de billijke vergoeding gaat het erom dat [werknemer] wordt gecompenseerd voor het verlies van de waarde van de arbeidsovereenkomst.
4.15.
Daarvoor stelt [werknemer] , onweersproken, dat hij inkomsten mist vanaf 6 juni 2025 tot de overeengekomen einddatum van de arbeidsovereenkomst op 1 januari 2026 ad
€ 44.000,00. Daarin wordt hij slechts gedeeltelijk gevolgd. [werknemer] komt een gefixeerde schadevergoeding toe vanwege de onregelmatige opzegging, gelijk aan het loon tot 1 augustus 2025 (zie rechtsoverweging 4.12). Over die periode heeft [werknemer] geen schade. De schade voor [werknemer] betreft het loon wat hij zou hebben ontvangen vanaf 1 augustus 2025 tot 1 januari 2026, derhalve vijf maanden à € 5.820,00 bruto, vermeerderd met 8% vakantietoeslag, oftewel € 31.428,00 bruto. Dat bedrag zal worden toegewezen.
Wettelijke rente
4.16.
De verzochte wettelijke rente zal worden toegewezen over de toe te wijzen bedragen vanaf veertien dagen na aanschrijving daartoe, bij gebreke van een onderbouwing dat de rente op een eerdere datum is verschuldigd.
Netto/bruto specificaties
4.17.
[werknemer] heeft recht op bruto/netto-specificaties (artikel 7:626 BW). Het verzoek daartoe zal worden toegewezen.
4.18.
De verzochte dwangsom wordt afgewezen. [werknemer] heeft onvoldoende gesteld waaruit blijkt dat een prikkel in de vorm van een dwangsom nodig is om [werkgever] aan een veroordeling in de beschikking te laten voldoen.
Incassokosten
4.19.
De vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen, met inachtneming van het volgende. [werknemer] heeft in de buitengerechtelijke fase ingezet op intrekking van het ontslag en aanspraak gemaakt op wedertewerkstelling. Dat zijn vorderingen van onbepaalde waarde. Voor de berekening van de incassokosten zal aansluiting worden gezocht bij een vordering van onbepaalde waarde conform de aanbevelingen in het rapport BGK-Integraal. Daarvoor zal worden toegewezen een bedrag van € 462,50 exclusief btw, derhalve € 559,63 inclusief btw.
Proceskosten
4.20.
De proceskosten komen voor rekening van [werkgever] , omdat [werkgever] overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten van [werknemer] worden vastgesteld op € 1.206,00 (€ 257,00 aan griffierecht, € 814,00 aan salaris gemachtigde en € 135,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
Voorlopige voorziening
4.21.
Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen voor de duur van de procedure (artikel 223 Rv). Deze procedure is geëindigd doordat een beslissing wordt genomen op de verzoeken van [werknemer] in de hoofdzaak. De proceskosten voor de voorlopige voorziening zullen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De kantonrechter
In de hoofdzaak
5.1.
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] de vergoeding wegens onregelmatige opzegging te betalen van € 11.000,00 bruto,
5.2.
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een transitievergoeding te betalen van € 1.222,20 bruto,
5.3.
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een billijke vergoeding te betalen van € 31.428,00 bruto,
5.4.
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] te betalen de wettelijke rente over de bedragen in 5.1 tot en met 5.3 vanaf veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.5.
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] te verstrekken schriftelijke en deugdelijke netto/bruto specificaties, waarin de bedragen en betaling van 5.1 tot en met 5.3 zijn verwerkt,
5.6.
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] te betalen € 559,63 aan buitengerechtelijke incassokosten,
5.7.
veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 1.206,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werkgever] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
5.8.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.9.
wijst het meer of anders verzochte af,
In de voorlopige voorziening
5.10.
wijst de verzochte voorlopige voorziening af,
5.11.
compenseert de proceskosten, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Dam en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2025.