Deze tussenuitspraak betreft een vergunning verleend door de minister van Infrastructuur en Waterstaat op grond van de Wet beheer rijkswaterstaatwerken (Wbr) voor het verplaatsen en uitbreiden van een laadstation op een verzorgingsplaats langs de A1. Eiseres, exploitant van servicestations op diverse verzorgingsplaatsen, betwist de vergunning en voert meerdere beroepsgronden aan, waaronder strijd met de verdelingsprocedure, belanghebbendheid van de vergunninghouder, onvoldoende parkeerplaatsen en verkeersveiligheid.
De rechtbank stelt vast dat de vergunninghouder het recht heeft verkregen via een eerdere loting en dat de minister terecht de aanvraag heeft beoordeeld binnen het kader van doelmatigheid en veiligheid. De rechtbank wijst het beroep op strijd met de verdelingsprocedure en het betoog over onvoldoende parkeerplaatsen af, omdat de minister voldoende onderbouwing heeft geleverd.
Echter, de rechtbank constateert een gebrek in het besluit omdat onvoldoende is gewaarborgd dat voertuigen zwaarder dan 7,5 ton het laadstation niet kunnen betreden. De minister heeft onvoldoende maatregelen in de vergunning opgenomen om deze verkeersveiligheid te verzekeren. Daarom wordt de minister in de gelegenheid gesteld het besluit te herstellen binnen een termijn van vier weken, met passende voorschriften om dit gebrek te verhelpen. De verdere behandeling van het beroep wordt aangehouden tot de einduitspraak.