ECLI:NL:RBZWB:2025:6940

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
14 oktober 2025
Publicatiedatum
15 oktober 2025
Zaaknummer
437238 / FA RK 25-3405
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Baggel
  • Van Leuven
  • Jansen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:299a BWArt. 1:336a BWArt. 1:265b BWArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming wijziging verblijf en afwijzing verzoek overdracht voogdij minderjarige met complexe problematiek

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) om toestemming te verlenen voor wijziging van het verblijf van een minderjarige naar een 24-uurs jeugdhulpvoorziening, en een zelfstandig verzoek van de pleegouders om benoeming tot voogd.

De minderjarige vertoont ernstig problematisch gedrag met kenmerken van ADHD en hechtingsproblematiek. De GI stelt dat diagnostiek en behandeling in een 24-uurs setting noodzakelijk zijn, terwijl de pleegouders dit betwisten en pleiten voor voortzetting van de zorg binnen het pleeggezin. De moeder en vader zijn tegen de wijziging van het verblijf.

De rechtbank oordeelt dat overdracht van de voogdij aan de pleegouders niet in het belang van de minderjarige is vanwege complexe problematiek en spanningen binnen het pleeggezin. Wel wordt voorlopige toestemming verleend aan de GI voor de wijziging van het verblijf in het kader van onderzoek en behandeling, met het uitgangspunt dat de minderjarige na behandeling terugkeert naar de pleegouders. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het verdere proces wordt aangehouden tot een schriftelijk verslag van de GI.

Uitkomst: Verzoek pleegouders tot overdracht voogdij afgewezen; voorlopige toestemming verleend voor wijziging verblijf minderjarige naar 24-uurs jeugdhulpvoorziening.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaakgegevens : C/02/437238 / FA RK 25-3405
datum uitspraak: 14 oktober 2025
nadere beschikking toestemming wijziging verblijfplaats in het kader van de voogdij, wijziging voogdij en vaststellen omgangsregeling
in de zaak van
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI),
gevestigd te Amsterdam,
betreffende
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
de heer en mevrouw [de pleegouders],
hierna te noemen: de pleegouders,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. N. Limbourg te Breda.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 2] ;
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] .
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna: de Raad, de kinderrechter over het verzoek geadviseerd.

1.Het (verdere) verloop van de procedure

1.1.
Het verdere procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- de in deze zaak gegeven beschikking van de kinderrechter van 22 augustus 2025 en de daarin genoemde stukken.
1.2.
Op 23 september 2025 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de behandeling van de zaak voortgezet tijdens de zitting met gesloten deuren. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
- twee vertegenwoordigsters van de GI;
- de pleegouders, bijgestaan door hun advocaat;
- de moeder,
- de vader,
- een vertegenwoordigster namens de Raad.

2.De feiten

2.1.
Bij beschikking van deze rechtbank van 10 augustus 2021 is het gezag van beide ouders over [minderjarige] beëindigd en is [minderjarige] onder voogdij gesteld van de GI.
2.2.
[minderjarige] woont bij de pleegouders vanaf dat hij drie dagen oud is.
2.3.
Bij voormelde beschikking van 22 augustus 2025 heeft de kinderrechter de zaak aangehouden en verwezen naar de meervoudige kamer van de rechtbank.

3.De (aangehouden) verzoeken

3.1.
Aan de orde is het verzoek van de GI om toestemming te verlenen tot wijziging van het verblijf van [minderjarige] naar een voorziening jeugdhulpaanbieder op grond van artikel 1:336a lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
3.2.
Daarnaast is aan de orde het zelfstandig verzoek van de pleegouders om:
I te bepalen dat de pleegouders worden benoemd als voogden van [minderjarige] ;
II te bepalen dat, indien het inleidende verzoek van de GI wordt toegewezen, een regeling in het kader van de omgang wordt vastgesteld, inhoudende dat de pleegouders en [minderjarige] twee weekenden per maand gerechtigd zijn tot omgang en/of contact met elkaar, althans een zodanige regeling in het kader van de omgang als de rechtbank in goede justitie juist acht.

4.De (nadere) standpunten

4.1.
De GI heeft tijdens de nadere zitting aangegeven dat [minderjarige] sinds vier weken is gestart op de [school] in [plaats]. Gezien wordt dat het best goed gaat op school, maar er blijven momenten waarop [minderjarige] moeilijk te sturen is. Hij vindt het vaak lastig om naar de instructie van de leerkracht te luisteren en wil meteen aan de slag. Verder wordt gezien dat het in de middag wat lastiger wordt voor hem. De kenmerken van ADHD komen hier tot uiting. De GI handhaaft het verzoek. Zij is nog steeds van mening dat er sprake is van een ontwikkelingsbedreiging waar in de huidige setting niet aan gewerkt kan worden. Er is onvoldoende zicht op de factoren die het gedrag van [minderjarige] bepalen. Het is niet gelukt om in de dagbehandeling meer zicht te krijgen op de problematiek van [minderjarige] en om te starten met de traumabehandeling. Volgens de gedragswetenschapper van de GI brengt een traumabrein dezelfde kenmerken met zich mee als de kenmerken van ADHD die [minderjarige] vertoont. Het is belangrijk dat er in een 24-uurs setting meer zicht gaat komen op de problematiek van [minderjarige] en welke hulpverlening hij nodig heeft. Dit kan systemisch worden aangepakt via observatie en diagnostiek. In een 24-uurs setting kan ook meer zicht worden verkregen op de samenhang tussen de kindeigen factoren en de opvoedingsomgeving. De GI is zich ervan bewust dat er met een plaatsing in een 24-uurs setting een hechtingsbreuk zal plaatsvinden. Zij hoopt dit te ondervangen door een goede samenwerking met de pleegouders, waarbij er zo snel mogelijk weer omgang kan plaatsvinden tussen [minderjarige] en de pleegouders. De GI wil het perspectief van [minderjarige] open houden. Zij wil de mogelijkheid onderzoeken om [minderjarige] na de behandeling terug bij de pleegouders te plaatsen. Dit zijn immers zijn belangrijkste hechtingsfiguren. Het kan echter zijn dat er wordt geconcludeerd dat de problematiek van [minderjarige] dusdanig complex is dat deze een professionele opvoedsituatie vereist. Op dit moment is daar onvoldoende duidelijkheid over. De verwachting is dat het traject negen tot twaalf maanden in beslag zal nemen. De GI verzoekt de rechtbank hierover een juridisch standpunt in te nemen. Wanneer de plaatsing in een vrijwillig kader zal plaatsvinden heeft de GI de vrees dat de pleegouders op enig moment hun medewerking zullen weigeren waardoor de situatie mogelijk nog complexer wordt.
De GI meent ten slotte dat het verzoek van de GI voorliggend is ten opzichte van het verzoek van de pleegouders.
4.2.
Door en namens de pleegouders is tijdens de nadere zitting aangegeven dat het iets beter gaat met [minderjarige] . Het gaat beter op school en de ADHD-medicatie is nu juist ingesteld. Wel blijft [minderjarige] moeite hebben met inslapen en met eten. Sinds een week gaat het inslapen wel iets beter. De pleegouders zijn al blij met alle kleine stapjes voorwaarts. Evenals de GI zien zij dat [minderjarige] hulpverlening nodig heeft. Zij hebben hier, ook in de afgelopen weken, meermaals om gevraagd bij de GI. De pleegouders geven aan dat zij steeds aan alle hulpverlening hebben meegewerkt. Hoewel zij dus de noodzaak tot hulpverlening kunnen onderschrijven, blijven de pleegouders van mening dat er geen 24-uurs setting nodig is om tot de juiste hulpverlening te kunnen komen. Het is niet goed voor [minderjarige] om hem uit zijn vertrouwde woonomgeving te halen. Dit zal hem eerder kwaad dan goed doen.
De pleegouders handhaven hun verzoek tot voogdij. Daarbij blijven zij zich op het standpunt stellen dat een beslissing op dit verzoek onherroepelijk dient te zijn, alvorens kan worden beslist op het verzoek van de GI.
4.3.
De moeder heeft tijdens de nadere zitting aangegeven dat zij al twee tot drie maanden geen omgang meer met [minderjarige] heeft gehad omdat [minderjarige] zich hiertegen verzet. Hoewel het haar veel pijn en verdriet doet heeft zij besloten om voor nu af te wachten wanneer [minderjarige] weer klaar is om haar te zien. De moeder hoopt dat dit niet heel lang meer gaat duren. Zij stuurt nu eens per week een e-mailbericht naar de pleegmoeder. De moeder wil niet dat [minderjarige] uit zijn vaste omgeving wordt weggehaald om in een 24-uurs setting geplaatst te worden. Zij wil wel de voogdij bij de GI laten.
4.4.
De vader heeft tijdens de nadere zitting eveneens aangegeven dat hij zich verzet tegen het verzoek van de GI. Hij heeft nog steeds eens in de twee weken omgang met [minderjarige] . Hij wil dat er wordt gekeken naar de plaats waar deze omgang plaatsvindt.
4.5.
De Raad heeft tijdens de nadere zitting zijn zorgen uitgesproken over de ontwikkeling van [minderjarige] . [minderjarige] vertoont kenmerken van ADHD en het is fijn dat de medicatie lijkt te helpen, maar dit is slechts symptoombestrijding. Het is belangrijk dat er zicht komt op de onderliggende problematiek. Het gedrag van [minderjarige] dat in het verzoek van de GI is beschreven is zeer zorgelijk. De Raad is dan ook voorstander van een opname in een 24-uurs setting, zoals door de GI wordt verzocht. Daarbij moet het uitgangspunt zijn een terugkeer naar de pleegouders. De Raad realiseert zich dat het op voorhand niet te voorspellen is wat een plaatsing in een 24-uurs setting zal gaan doen met de hechtingsproblematiek van [minderjarige] , maar hij verwacht dat er door de behandeling zicht gaat komen op de onderliggende problematiek, waardoor duidelijk wordt wat [minderjarige] nodig heeft. Dit is het allerbelangrijkste. De opvoeders van [minderjarige] kunnen op deze wijze handvatten krijgen hoe zij het beste met hem om kunnen gaan zodat zij beter bij hem kunnen aansluiten. De Raad is van mening dat het op termijn schadelijk voor [minderjarige] is wanneer hem niet de juiste behandeling kan worden geboden. De Raad meent dan ook dat er zo snel mogelijk moet worden ingezet op een 24-uursplaatsing. Daarbij is het van belang dat [minderjarige] een connectie houdt met zijn pleegouders, zodat hij na een bepaalde gewenningsperiode in de weekenden omgang met hen kan hebben.
Ten aanzien van de voogdij meent de Raad dat die op dit moment het beste bij de GI kan blijven.
4.6.
De rechtbank heeft de zitting kort onderbroken om de pleegouders en de GI de gelegenheid te geven met elkaar te overleggen over de mogelijkheid van een vrijwillige plaatsing in een 24-uurs setting. Na hervatting van de zitting is gebleken dat dit deels is gelukt. De pleegouders kunnen onder bepaalde voorwaarden instemmen met een 24-uurs setting. Zij vinden het belangrijk dat er duidelijke afspraken worden gemaakt over omgang en ook over allerlei praktische zaken, zoals de voetbal en zwemles. De GI heeft hierop aangegeven dat het niet mogelijk is om op voorhand de door de pleegouders gewenste afspraken te maken. Een en ander is afhankelijk van het verloop van het traject. De GI zegt wel toe dat zij erop zal toezien dat het leven van [minderjarige] zo normaal mogelijk kan blijven doorgaan.

5.De nadere beoordeling

Overdracht voogdij
5.1.
Op grond van artikel 1:299a lid 1 en 2 BW kunnen degenen die met instemming van de voogd een minderjarige – anders dan uit hoofde van een ondertoezichtstelling of plaatsing onder voorlopige voogdij – tenminste een jaar hebben verzorgd en opgevoed, de rechtbank verzoeken hen tot voogd te benoemen. Op grond van lid 4 van voornoemd artikel willigt de rechtbank het verzoek slechts in, indien dit in het belang van de minderjarige wordt geacht en genoegzaam is gebleken, dat de voogd niet bereid is zich van zijn bediening te doen ontslaan. Alsdan wordt bij voorkeur benoemd degene wiens benoeming wordt verzocht tot voogd, mits deze bevoegd is tot uitoefening van de voogdij.
5.2.
Nu vaststaat dat [minderjarige] sinds mei 2018 door de pleegouders wordt verzorgd en opgevoed en dit met instemming van de huidige voogd, de GI, geschiedt, is aan de vereisten om een verzoek op grond van artikel 1:299a BW in te dienen voldaan.
5.3.
De rechtbank stelt vast dat uit het verweer van de GI blijkt dat zij niet bereid is zich van haar bediening als voogd te doen ontslaan. De rechtbank dient daarom te beoordelen of een overdracht van de voogdij in het belang van [minderjarige] is. Zij is van oordeel dat dit niet het geval is en overweegt daartoe het volgende.
5.4.
Zowel de pleegouders als de GI zijn het erover eens dat er sprake is van ernstig problematisch gedrag bij [minderjarige] waarvan niet duidelijk is wat de precieze oorzaak daarvan is. Wel staat vast dat er op dit moment niet de juiste behandeling en diagnostiek plaatsvindt. Daarnaast zijn er zorgen over het pleeggezin. Deze zien met name op de draagkracht van de pleegouders en de omstandigheid dat de pleegvader vanuit zijn eigen belaste verleden wordt getriggerd door het gedrag van [minderjarige] . Dit leidt tot stress en daarmee tot vermindering van zijn draagkracht. De rechtbank stelt tevens vast dat er een gebrek aan een gedeelde visie is met de hulpverlening. Dit leidt tot een gebrekkige samenwerking tussen de pleegouders en de GI, dan wel de hulpverlening.
Dit alles zorgt ervoor dat de rechtbank het op dit moment niet in het belang van [minderjarige] acht om de voogdij over te dragen aan de pleegouders. Zij zal het verzoek van de pleegouders dan ook afwijzen.
Verzoek wijziging verblijfplaats
5.5.
Nu de rechtbank het verzoek van de pleegouders afwijst komt zij toe aan de vraag of het verzoek van de GI op grond van artikel 1:336a BW om het verblijf van [minderjarige] te wijzigen kan worden behandeld.
5.6.
Op grond van artikel 1:336a BW, eerste lid, kan de voogd, indien de minderjarige door anderen dan zijn voogd, als behorende tot het gezin met instemming van de voogd ten minste een jaar is verzorgd en opgevoed, niet dan met toestemming van degenen die de verzorging en opvoeding op zich hebben genomen, wijziging in het verblijf van de minderjarige brengen. Omdat de pleegouders niet instemmen met wijziging van het verblijf van [minderjarige] , heeft de GI op grond van het tweede lid van artikel 1:336a BW vervangende toestemming van de rechtbank gevraagd. Overeenkomstig dit tweede lid wordt dit verzoek van de GI slechts ingewilligd indien de rechtbank dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk oordeelt.
5.7.
De rechtbank heeft vastgesteld dat het verzoek van de GI om [minderjarige] voor onderzoek en behandeling in een 24-uurs setting te plaatsen, niet op voorhand is bedoeld om de pleegouders uit te sluiten. Tijdens de zitting van 23 september 2025 is door de GI duidelijk gezegd dat het uitgangspunt is dat [minderjarige] teruggeplaatst wordt bij de pleegouders, mits dit mogelijk blijkt. Gelet hierop heeft de rechtbank het verzoek van de GI zo gelezen dat het niet gaat om een definitieve plaatsing van [minderjarige] in een andere setting, zoals het uitgangspunt is van artikel 1:336a BW. De GI heeft eigenlijk voor ogen om een soort uithuisplaatsing van [minderjarige] te creëren als bedoeld in artikel 1:265b BW, waarbij hij tijdelijk wordt weggehaald bij de pleegouders en ter onderzoek wordt geplaatst in een andere omgeving. Hoewel artikel 1:336a BW, welk artikel een versterking is van de rechtspositie van de pleegouders, naar het oordeel van de rechtbank niet direct geschreven lijkt te zijn voor een situatie als de onderhavige, acht de rechtbank het noodzakelijk dat er toestemming van de pleegouders dan wel vervangende toestemming zal zijn voor de plaatsing, zeker nu is gebleken dat het gaat om een langdurige plaatsing van negen tot twaalf maanden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat artikel 1:336a BW van toepassing is.
5.8.
Namens de pleegouders wordt een beroep gedaan op het zogenoemde blokkaderecht als bedoeld in artikel 1:299a, vijfde lid, BW. Hierin is vermeld dat indien een verzoek tot voogdij is gedaan, het tweede lid van artikel 1:336a BW (waarin wordt vermeld dat de GI aan de rechtbank vervangende toestemming kan vragen) buiten toepassing blijft totdat op het verzoek bij gewijsde is beslist. Artikel 1:299a BW berust blijkens de parlementaire geschiedenis op een afweging van belangen, waarbij voorop heeft gestaan het belang van pleegkinderen bij een redelijke waarborging van de continuïteit van hun verblijf in het pleeggezin waar zij zich geborgen weten. Met het oog op dit belang is in artikel 299a lid 1 BW aan de pleegouders de bevoegdheid gegeven om, nadat de daar bedoelde termijn is verstreken en aldus in verband met deze continuïteit behoefte aan consolidatie kan zijn ontstaan, de kinderrechter te verzoeken tot voogd te worden benoemd, door toewijzing van welk verzoek zijn of haar rechtpositie ten opzichte van het kind en diens ouder(s) ingrijpend wordt versterkt.
5.9.
De rechtbank stelt vast dat er in deze sprake is van een bijzondere situatie nu de GI vooralsnog niet de bedoeling heeft om het verblijf van [minderjarige] bij de pleegouders definitief te beëindigen. De rechtbank kan de GI hierin volgen. Zij verbindt daaraan de conclusie dat een voorlopige beslissing nodig is om te voorzien in de situatie die de GI voor ogen heeft, namelijk onderzoek en behandeling met het oog op duidelijkheid voor een uiteindelijke beslissing, waarbij het uitgangspunt nog steeds de plaatsing bij de pleegouders is.
5.10.
Voorgaande betekent dat de rechtbank op dit moment niet definitief kan beslissen op het verzoek van de GI, omdat dit verzoek niet is gericht op een definitieve beslissing. De rechtbank zal het verzoek van de GI dan ook opvatten als een voorlopig verzoek en dit als uitgangspunt nemen. Om die reden is de rechtbank van oordeel dat het blokkaderecht van artikel 1:299a, vijfde lid BW hier niet heeft te gelden nu de continuïteit van de plaatsing bij pleegouders vooralsnog niet in het geding is. Daarbij acht de rechtbank het niet in het belang van [minderjarige] dat hij nog langer moet wachten op passende behandeling.
5.11.
De pleegouders zien, evenals de GI, de noodzaak van nader onderzoek en behandeling voor [minderjarige] . Er bestaat alleen een verschil in visie of dit in een 24-uurs setting dient plaats te vinden dan wel vanuit de plaatsing binnen het pleeggezin. De rechtbank volgt de deskundigen die van oordeel zijn dat een plaatsing in een 24-uurs setting noodzakelijk is gelet op alles wat er speelt en alles wat al is ingezet. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat in de thuissituatie al het nodige is ingezet en dat het niet gelukt is om tot diagnostiek te komen in de dagbehandeling. Het is niet mogelijk gebleken om vast te stellen welke behandeling [minderjarige] precies nodig heeft. Alle betrokkenen zijn het erover eens dat het gedrag van [minderjarige] zorgelijk is. Bij [minderjarige] is ADHD vastgesteld. Hij heeft moeite met zich concentreren en kan slecht op uitleg wachten. De ADHD-medicatie lijkt enige verbetering te brengen. Met de Raad is de rechtbank echter van oordeel dat hiermee de onderliggende problematiek niet is opgelost en ook niet volledig is verklaard. In het gedrag van [minderjarige] zijn immers ook factoren aanwezig die niet direct te maken hebben met ADHD, zoals het haren trekken, schelden, duwen, trekken en het vertonen van seksueel grensoverschrijdend gedrag. Dit gedrag heeft ook te maken met hechtingsproblematiek. Ook het gegeven dat [minderjarige] zijn moeder nu afwijst is opvallend. Gelet op dit alles is het van belang dat er goed onderzocht gaat worden waar dit gedrag vandaan komt. Daar is diagnostiek en behandeling voor nodig. Met de GI en de Raad is de rechtbank dan ook van oordeel dat een tijdelijke plaatsing in een instelling op dit moment in het belang is van [minderjarige] .
5.12.
Tijdens de zitting van 23 september 2025 bleken de pleegouders bereid om in het belang van [minderjarige] hun principiële bezwaren tegen een plaatsing in een 24-uurs setting naar de achtergrond te schuiven. Hoewel zij niet hun volledige instemming konden geven voor deze plaatsing, waren zij bereid om mee te denken. Zij gaven daarbij aan dat zij graag nadere afspraken willen maken over de rol die zij krijgen bij de plaatsing van [minderjarige] in een 24-uurs setting. Dit is mede ingegeven door het gebrek aan vertrouwen van de pleegouders in de GI. De rechtbank complimenteert de pleegouders dat zij deze stap hebben kunnen zetten en dat zij, in het belang van [minderjarige] , bereid zijn om hierover na te denken. Evenals de pleegouders acht de rechtbank het relevant dat er afspraken gemaakt worden zodra hier de mogelijkheid toe is. De rechtbank heeft begrip voor de wens van de pleegouders om zo snel mogelijk weer tot omgang te komen. Dit is ook voor [minderjarige] belangrijk. Met de GI is de rechtbank echter van oordeel dat het niet mogelijk is om hier op voorhand afspraken over te maken. Het is van belang dat er eerst duidelijkheid wordt gegeven vanuit de behandelsetting. Daar ligt de regie. De rechtbank heeft de overtuiging dat wanneer de pleegouders in staat zijn om hun emotionele toestemming te geven voor de plaatsing, dit zal bijdragen aan een meer soepele overgang voor [minderjarige] . Dit zal de kans op slagen beslist vergroten, waardoor de focus op de problematiek van [minderjarige] gericht kan worden. De GI heeft tijdens de zitting toegezegd dat zij aandacht zal hebben voor de wensen van de pleegouders. De rechtbank verwacht van de GI dat zij zich daar de komende tijd voor zal inzetten, in het belang van [minderjarige] .
5.13.
Nu de GI heeft aangegeven dat het traject van [minderjarige] negen tot twaalf maanden zal gaan duren zal de rechtbank een voorlopige toestemming geven tot plaatsing in een 24-uurs setting. Zij zal het verzoek voor het overige aanhouden tot
22 september 2026 PRO FORMA. De rechtbank verzoekt de GI om uiterlijk op genoemde pro forma datum een (kort) schriftelijk verslag over te leggen met daarin een weergave van het verloop van het traject en de actuele stand van zaken. Aan de pleegouders zal vervolgens (via hun advocaat) de mogelijkheid worden geboden om binnen twee weken schriftelijk op dat verslag te reageren. Vervolgens zal de rechtbank het verdere procesverloop van deze zaak bepalen.
Uitvoerbaar verklaring bij voorraad
5.14.
Tegen een beslissing op grond van artikel 1:336a BW staat geen andere voorziening open dan cassatie in het belang van de wet. Ondanks dit rechtsmiddelenverbod bestaat er de (zeer beperkte) mogelijkheid in bepaalde situaties toch hoger beroep en cassatie in te stellen. Gelet op de problematiek van [minderjarige] , acht de rechtbank het in zijn belang dat de beslissing op basis van artikel 1:336a BW direct uitvoerbaar is. Om die reden zal de rechtbank de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
wijst het verzoek van de pleegouders tot overdracht voogdij af;
6.2.
verleent de GI
voorlopigetoestemming tot wijziging van het verblijf van [minderjarige] naar een voorziening jeugdhulpaanbieder;
6.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
houdt de beslissing op het verzoek van de GI voor het overige aan tot
dinsdag
22 september 2026 PRO FORMA, in afwachting van het schriftelijk verslag van de GI en haar standpunt over het verdere procesverloop van deze zaak en de reactie van (de advocaat van) de pleegouders daarop, zoals hiervoor onder rechtsoverweging 5.13. is overwogen;
6.5.
behoudt zich iedere (verdere) beslissing voor.
Deze beslissing is gegeven door mr. Baggel, voorzitter, mr. Van Leuven en mr. Jansen, allen kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2025, in aanwezigheid van Van Beijsterveldt als griffier.