ECLI:NL:RBZWB:2025:6948

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 oktober 2025
Publicatiedatum
15 oktober 2025
Zaaknummer
02-081401-23
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 342 lid 2 Wetboek van StrafvorderingArt. 249 lid 1 Wetboek van StrafrechtArt. 244 Wetboek van StrafrechtArt. 247 Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs van ontuchtige handelingen met minderjarig kind

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 15 oktober 2025 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van ontuchtige handelingen, waaronder seksueel binnendringen, met een minderjarig kind dat aan zijn zorg was toevertrouwd. De feiten zouden zich hebben voorgedaan tussen september 2018 en januari 2022.

Tijdens de zitting van 1 oktober 2025 gaven zowel de officier van justitie als de verdediging hun standpunten. De officier van justitie stelde zich op het standpunt dat verdachte vrijgesproken moest worden, omdat de verklaringen van de aangeefster niet werden ondersteund door ander bewijs. De verdediging bepleitte eveneens vrijspraak.

De rechtbank oordeelde dat bij zedendelicten vaak sprake is van een tegenstelling tussen verklaringen van aangever en verdachte, zonder dat er derden zijn die de feiten hebben waargenomen. Volgens artikel 342 lid 2 Sv Pro mag een bewezenverklaring niet uitsluitend gebaseerd zijn op de verklaring van één getuige zonder steunbewijs. In deze zaak ontbrak zodanig steunbewijs, waardoor niet aan het bewijsminimum werd voldaan.

Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van alle ten laste gelegde feiten. Tevens verklaarde zij de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun schadevorderingen, aangezien de vrijspraak betekende dat de grondslag voor die vorderingen ontbrak. De rechtbank wees erop dat de benadeelden hun vorderingen bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.

De rechtbank veroordeelde de benadeelde partijen tot vergoeding van de kosten van verdachte, die tot dat moment nihil waren begroot.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van ontuchtige handelingen met een minderjarig kind.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummer: 02-081401-23
Vonnis van de meervoudige kamer van 15 oktober 2025
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1973,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] ,
raadsvrouw mr. R.T.K. Davidse, advocaat te Middelburg.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 1 oktober 2025, waarbij de officier van justitie mr. M. van Leeuwen en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich in de periode van 3 september 2018 tot en met 18 januari 2022 schuldig heeft gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen, waaronder het seksueel binnendringen, met een minderjarig kind beneden de twaalf jaar dat aan zijn zorg is toevertrouwd.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat verdachte dient te worden vrijgesproken. De verklaringen van aangeefster worden niet ondersteund door overige bewijsmiddelen in het dossier.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit een integrale vrijspraak.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Beoordelingskader
Het gaat bij zedendelicten vaak om feiten waarbij het in de kern draait om het woord van de aangeefster tegen dat van de verdachte. Daarbij staan deze verklaringen vaak lijnrecht tegenover elkaar, waarbij er geen andere personen zijn die de ten laste gelegde handelingen hebben waargenomen.
De rechtbank dient in dat geval de vraag te beantwoorden of voldaan wordt aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Wetboek Pro van Strafvordering (Sv).
Op grond van het bepaalde in dit artikel kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de feiten en omstandigheden die door die getuige worden genoemd, op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.
Dat leidt dan tot discussie over de vraag of het bewijsminimum wel is gehaald. Als die vraag met “nee” moet worden beantwoord, zal dat tot vrijspraak moeten leiden. Dat wordt niet anders, wanneer de verklaring van de aangeefster geloofwaardig en betrouwbaar wordt bevonden. Ook wordt het niet anders, als de aangeefster aan een ander de ervaringen met de verdachte heeft verteld. Dan is de belastende inhoud van die verklaring nog altijd uit één bron afkomstig, één getuige.
Wél volgt uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat steunbewijs ontleend kan worden aan verklaringen van anderen, die waarnemingen hebben gedaan in relatie tot de emotionele of fysieke toestand van de aangever op het moment van de gebeurtenis of vlak daarna.
De beoordeling van de rechtbank met voornoemd kader als uitgangspunt
Aangeefster heeft aangifte gedaan tegen verdachte. Zij heeft verklaard dat verdachte ontuchtige handelingen met haar heeft gepleegd, waaronder het seksueel binnendringen van haar lichaam. Deze beschuldiging wordt door verdachte ontkend.
Uit de overige verklaringen die zich in het dossier bevinden volgt dat verder niemand heeft gezien dat er seksuele handelingen hebben plaatsvonden tussen verdachte en aangeefster. Ook is er geen steunbewijs in het dossier dat verdachte de hem verweten handelingen zou hebben gepleegd. Gelet hierop moet worden geconcludeerd dat niet is voldaan aan het wettelijk bewijsminimum. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken.

5.De vorderingen van de benadeelde partijen

[benadeelde 1]
De benadeelde partij [benadeelde 1] vordert een schadevergoeding van € 10.000 aan immateriële schade.
Verdachte is vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan.
De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
[benadeelde 2] en [benadeelde 3]
De benadeelde partij [benadeelde 2] vordert een schadevergoeding van € 35.000 aan affectieschade voor haar en haar dochter [benadeelde 3]
Verdachte is vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan.
De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

6.Beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
-
spreekt verdachte vrijvan de ten laste gelegde feiten;
Benadeelde partijen
- verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.B. Prenger, voorzitter, en mr. N. van der Ploeg-Hogervorst en mr. J.P.E. Mullers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.E. van Wijk, griffier, en is uitgesproken ter de openbare zitting op 15 oktober 2025.
Mrs. Prenger en Mullers zijn niet in de gelegenheid om dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
1
hij in of omstreeks 03 september 2018 tot en met 18 januari 2022 te [adres] ,
gemeente Bergen op Zoom, althans in Nederland,
met [benadeelde 1] , geboren [2010] ,
die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt,
een minderjarig kind dat aan haar zorg en waakzaamheid is toevertrouwd,
een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede
bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde 1] ,
te weten:
- het brengen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van voornoemde [benadeelde 1]
en/of
- het brengen/duwen/houden van zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van
voornoemde [benadeelde 1]
artikel 249 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht
( art 244 Wetboek Pro van Strafrecht )
2
hij in of omstreeks 03 september 2018 tot en met 18 januari 2022 te [adres] ,
gemeente Bergen op Zoom, althans in Nederland,
met [benadeelde 1] , geboren [2010] ,
die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt,
een minderjarig kind dat aan haar zorg en waakzaamheid is toevertrouwd,
buiten echt,
een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten:
- het betasten/aanraken van de billen en/of vagina en/of schaamlippen en/of
clitoris en/of buik van die [benadeelde 1] ,
- met zijn, verdachtes, (naakte) lichaam op die [benadeelde 1] gaan liggen en/of
- het brengen/leggen van zijn, verdachtes, penis op de vagina en/of het
schaambeen van voornoemde [benadeelde 1] en/of
artikel 249 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht
( art 247 Wetboek Pro van Strafrecht )