ECLI:NL:RBZWB:2025:6951

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 oktober 2025
Publicatiedatum
15 oktober 2025
Zaaknummer
c/02/424609 FA RK 24/3256
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Coolwijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:56 BWArt. 1:99 BWArt. 1:100 BWArt. 3:185 BWArt. 3:194 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding en verdeling huwelijksgemeenschap met zorgregeling minderjarige kinderen

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 15 oktober 2025 uitspraak gedaan in een echtscheidingszaak tussen een man en een vrouw die sinds 2016 gehuwd waren en gezamenlijk twee minderjarige kinderen hebben. De rechtbank verklaarde partijen ontvankelijk in hun verzoek tot echtscheiding en wees de echtscheiding toe wegens duurzaam ontwricht huwelijk.

De rechtbank bepaalde dat het hoofdverblijf van de jongste minderjarige bij de vrouw komt zodra partijen feitelijk gescheiden leven. De man krijgt een contactregeling met deze minderjarige, bestaande uit om de veertien dagen een weekend en de helft van de feestdagen en vakanties. De rechtbank wees een kinderalimentatie toe van €227 per maand, ingaande zodra de vrouw over zelfstandige woonruimte beschikt. De vrouw's verzoek om partneralimentatie werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

Verder regelde de rechtbank de verdeling van de huwelijksgemeenschap, waarbij de woning wordt verkocht en de opbrengst verdeeld volgens gemaakte afspraken. Diverse goederen, bankrekeningen, aandelen en schulden werden toegedeeld en verdeeld conform de wettelijke regels en de wensen van partijen. De vrouw moet een bedrag van €2.947 aan de man voldoen wegens reeds betaalde schulden. De proceskosten worden ieder voor eigen rekening genomen.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken, hoofdverblijf en contactregeling vastgesteld, kinderalimentatie toegekend en huwelijksgemeenschap verdeeld.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummers: C/02/424609 FA RK 24/3256 en C/02/429783 FA RK 24-5860
beschikking betreffende echtscheiding en nevenvoorzieningen van 15 oktober 2025
in de zaak van
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. Z. Gademan ,
en
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats]
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. P.M.F. Gulickx .
1. Het procesverloop
1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 12 juli 2024 ontvangen verzoekschrift met producties genummerd 1 tot en met
23;
- het op 14 oktober 2024 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek met producties genummerd 1 tot en met 6;
- het F9 formulier van mr. Gademan van 23 oktober 2024;
- het op 5 december 2024 ontvangen verweerschrift op zelfstandig verzoek met producties genummerd 24 tot en met 38;
- het F9 formulier van mr. Gademan van 18 april 2025;
- de brief van mr. Gulickx van [geboortedag 1] 2025;
- de brief van mr. Gademan van 4 juni 2025 houdende aanvullend verzoek met
producties genummerd 39 tot en met 52;
- de op 12 juni 2025 ontvangen brief van mr. Gulickx houdende wijziging van verzoek met productie genummerd 7;
- de op 12 juni 2025 ontvangen modelstaat verdelen en verrekenen van mr. Gulickx ;
- de op 19 juni 2025 ontvangen brief van mr. Gademan met producties genummerd 53 tot en met 59;
- de op 29 augustus 2025 ontvangen brief van mr. Gademan met producties genummerd 60 tot en met 63;
- de op 4 september 2025 ontvangen brief van mr. Gulickx houdende wijziging van verzoek met producties genummerd 8 en 9;
- de op 5 september 2025 ontvangen brief van mr. Gademan met producties genummerd 64 tot en met 66;
- de op 9 september 2025 ontvangen brief van mr. Gademan met producties genummerd 67 tot en met 73.
1.2. De zaak is behandeld op de mondelinge behandelingen van 24 juni 2025 en 10 september 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat.
Op de mondelinge behandeling van 10 september 2025 waren tevens aanwezig een tolk voor de vrouw, een vertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad, alsmede een medewerkster van de Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie Tilburg, hierna te noemen: de GI.
1.3. Na te noemen [minderjarige 1] is gelet op haar leeftijd in staat gesteld haar mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek
.Zij heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt.

2.De feiten

2.1.
Op grond van de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- zij zijn op [datum] 2016 in de gemeente Breda met elkaar gehuwd;
- uit hun huwelijk is het volgende, nu nog minderjarige kind geboren:
- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2017 (hierna ook: [minderjarige 1] );
- [minderjarige 1] is onder toezicht gesteld. Op 11 september 2025 heeft de mondelinge
behandeling plaatsgevonden waarbij het verzoek tot verlenging van de onder
toezichtstelling is behandeld;
- uit een eerdere relatie van de vrouw is geboren:
- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2009 (hierna ook: [minderjarige 2] );
- de man heeft [minderjarige 2] in 2023 erkend;
- [minderjarige 2] verblijft op grond van een PIJ-maatregel in [jeugdinrichting] te [woonplaats] ;
- zij hebben geen overeenstemming kunnen bereiken over een ouderschapsplan;
- de vrouw bezit de Angolese nationaliteit en de man bezit de Duitse nationaliteit;
- hun huwelijk is duurzaam ontwricht.

3.De verzoeken

3.1.
De man verzoekt, nu, samengevat,
- echtscheiding;
- bepaling dat de minderjarigen hun hoofdverblijf zullen hebben bij de vrouw;
- vaststelling van een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken;
- naar de rechtbank begrijpt, de wijze van verdeling te gelasten van de
huwelijksgemeenschap van partijen conform zijn verdelingsvoorstel zoals opgenomen
in nummer 29, 32, 33 en 34 van het inleidend verzoekschrift, alsmede nummer 22, 23, 24 en 27 van het verweerschrift op zelfstandig verzoek, danwel de wijze van verdeling te gelasten van de huwelijksgoederengemeenschap zoals de rechtbank redelijk acht;
- de vrouw te veroordelen aan hem te voldoen een bedrag van € 934,=, te vermeerderen met de wettelijke rente, te rekenen vanaf 5 december 2024, althans de datum van deze beschikking, tot aan de dag der algehele voldoening;
- de vrouw te veroordelen aan hem te voldoen een bedrag van € 701,50, te vermeerderen met de wettelijke rente, te rekenen vanaf 5 december 2024, althans de datum van deze beschikking, tot aan de dag der algehele voldoening;
- de vrouw te veroordelen aan hem te voldoen een bedrag van € 1.311,50, te vermeerderen met de wettelijke rente, te rekenen vanaf 5 december 2024, althans de datum van deze beschikking, tot aan de dag der algehele voldoening;
- de vrouw te veroordelen aan hem te voldoen een bedrag van € 4.582,50, te vermeerderen met de wettelijke rente, te rekenen vanaf 5 december 2024, althans de datum van deze beschikking, tot aan de dag der algehele voldoening.
3.2.
De vrouw verzoekt, nu, samengevat,
- echtscheiding;
- bepaling dat de minderjarige [minderjarige 2] en [minderjarige 1] hun hoofdverblijf zullen hebben bij haar alsmede dat zij op haar adres worden ingeschreven;
- vaststelling van een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken;
- vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de [minderjarige 1] van € 77,= per maand met ingang van indiening van het verweerschrift en met ingang van 1 september 2025 een bedrag van € 480,= per maand;
- vaststelling van een door de man aan haar te betalen onderhoudsbijdrage van
€ 300,= per maand;
- naar de rechtbank begrijpt, de wijze van verdeling te gelasten van de huwelijksgoederengemeenschap op de wijze zoals benoemd onder randnummer 14, 15, 16, 49, 50 en 51 van het verweerschrift met zelfstandige verzoeken en randnummer 13 tot en met 44 van de wijziging van het verzoek van 12 juni 2025.

4.De beoordeling

Ontvankelijkheid
4.1.
De rechtbank acht partijen ontvankelijk in hun echtscheidingsverzoek. De door hen aangevoerde omstandigheden zijn van dien aard dat van partijen redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat een door beide partijen opgesteld ouderschapsplan wordt overgelegd.
Echtscheiding
4.2.
De Nederlandse rechter komt rechtsmacht toe met betrekking tot de verzoeken tot echtscheiding, aangezien ten tijde van de indiening van de verzoeken partijen hun gewone verblijfplaats hadden in Nederland.
4.3.
De rechtbank zal op de verzoeken tot echtscheiding Nederlands recht toepassen ingevolge artikel 10:56, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Deze verzoeken zullen als niet weersproken en op de wet gegrond worden toegewezen.
Hoofdverblijf en regeling zorg- en opvoedingstaken
4.4.
Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats, en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken met betrekking tot de minderjarigen. De rechtbank zal hierbij Nederlands recht toepassen.
4.5.
De rechtbank stelt voorop dat partijen samen met [minderjarige 1] nog in de echtelijke woning verblijven en dat [minderjarige 2] in [jeugdinrichting] verblijft. De woning staat te koop en beide partijen zullen na verkoop naar elders verhuizen. Dit betekent dat de beslissingen rondom het hoofdverblijf en de zorg- en opvoedingstaken pas te gelden hebben vanaf het moment dat partijen feitelijk gescheiden leven respectievelijk dat de PIJ-maatregel voor zijn 18e verjaardag niet langer op [minderjarige 2] van toepassing is.
4.6.
Het verzoek van de vrouw om het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij haar te bepalen en haar op het adres van de vrouw in te schrijven ligt als niet weersproken en op de wet gegrond voor toewijzing gereed.
4.7.
Voor wat betreft [minderjarige 2] heeft te gelden dat hij staat ingeschreven op het adres van [jeugdinrichting] . Op de mondelinge behandeling heeft de GI verklaard dat het de verwachting is dat [minderjarige 2] tot zijn 18e in [jeugdinrichting] zal verblijven. Partijen zijn echter overeengekomen dat indien en voor zover de PIJ-maatregel van [minderjarige 2] voor zijn 18e wordt beëindigd, het hoofdverblijf kan worden bepaald bij de vrouw en dat hij op haar adres kan worden ingeschreven. De rechtbank overweegt dat deze tussen partijen gemaakte afspraak tussen hen wel bindend is, maar zich vanwege het onzekere karakter ervan nu niet leent voor opname in het dictum van deze beschikking.
4.8.
Op de mondelinge behandeling heeft de man zijn verzoek tot vaststelling van een zorg- en contactregeling met [minderjarige 2] ingetrokken.
Voor wat betreft [minderjarige 1] verzoekt hij om een contactregeling van eenmaal per veertien dagen een weekend, van vrijdag uit school tot zondagavond, alsmede gedurende de helft van alle feestdagen en vakanties. Dit verzoek ligt als op de wet gegrond en niet weersproken voor toewijzing gereed.
4.9.
Zoals vermeld zal de rechtbank bepalen dat bovengenoemde beslissingen pas zullen gelden vanaf het moment dat partijen feitelijk gescheiden leven. Zoals ook door de Raad op de mondelinge behandeling is aangegeven gaat de rechtbank ervan uit dat de contactregeling tussen de man en [minderjarige 1] goed gaat lopen en uitvoerbaar blijft. Met de Raad ziet de rechtbank ook mogelijkheden dat de regeling wordt uitgebreid. In dit verband dienen partijen er in het belang van de kinderen, en in ieder geval [minderjarige 1] , op te letten dat zij na verkoop van de woning niet te ver uit elkaar gaan wonen.
Kinder- en partneralimentatie
4.10.
Nu de Nederlandse rechter bevoegd is met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen en tot vaststelling van een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw.
4.11.
Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële
draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn
neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.
4.12.
De rechtbank zal de ingangsdatum van kinder- en partneralimentatie bepalen vanaf het moment dat de vrouw over zelfstandige woonruimte beschikt. Daarvoor is redengevend dat partijen op dit moment nog samen in de echtelijke woning verblijven, dat niet is betwist dat de man nagenoeg alle kosten van [minderjarige 1] en de vrouw voldoet en dat de vrouw de kinderbijslag en, voor zover van toepassing, het kindgebonden budget ontvangt. Dat de vrouw onder deze omstandigheden op dit moment behoefte heeft aan een bijdrage van de man voor [minderjarige 1] en haarzelf is enkel gesteld, maar niet (cijfermatig) onderbouwd.
4.13.
Voor wat betreft de kinderalimentatie stelt de rechtbank vast dat er enkel een
verzoek voorligt ten aanzien van de [minderjarige 1] . Tussen partijen staat vast dat de
behoefte van [minderjarige 1] € 533,= per maand bedraagt.
4.14.
Beoordeeld dient te worden in welke verhouding de behoefte van [minderjarige 1] tussen de
onderhoudsplichtigen zal worden verdeeld. Het aandeel van de onderhoudsplichtigen in de
behoefte van [minderjarige 1] becijfert de rechtbank aan de hand van ieders huidig netto besteedbaar
inkomen (NBI), waarbij hun draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule of de
tabel, zoals opgenomen in eerder genoemde aanbevelingen.
4.15.
Voor de vaststelling van het NBI van de man gaat de rechtbank uit van de volgende niet dan wel onvoldoende weersproken gegevens. De man heeft volgens de salarisspecificatie van zijn Duitse werkgever over augustus 2025 een salaris ter hoogte van
€ 2.000,= bruto per maand. Daarnaast geniet de man een Ziektewetuitkering die, gelet op de inkomsten uit arbeid, is gekort tot € 1.184,63 bruto per maand. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat dit bedrag inclusief vakantietoeslag is.
4.16.
De man stelt, onder verwijzing naar de door hem overlegde productie 72, dat zijn huidige dienstverband maar een periode van 90 dagen behelst. Voorheen was hij werkzaam als lasser in de off-shore industrie maar daarvoor is hij niet meer arbeidsgeschikt. Zijn voormalig werkgever heeft hem nu gevraagd tijdelijk wat advieswerkzaamheden te verrichten.
De vrouw betwist dat de man slechts tijdelijk werkzaam is. Op de mondelinge behandeling heeft zij verwezen naar een arbeidscontract dat zij in haar bezit heeft waaruit blijkt van een dienstverband voor onbepaalde tijd.
4.17.
De rechtbank overweegt als volgt. Productie 72 van de man betreft een e-mail van de werkgever van de man. Daaruit blijkt dat er een arbeidsvisum voor de man is voor 90 dagen in verband met een opdracht in India. Dat daarna de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd kan uit die e-mail niet worden afgeleid. Daarbij komt dat de man onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat hij een arbeidsovereenkomst heeft voor onbepaalde tijd waarnaar de vrouw op de mondelinge behandeling heeft verwezen. Zelfs indien en voor zover moet worden aangenomen dat de arbeidsovereenkomst inderdaad na 90 dagen afloopt, kan van de man naar het oordeel van de rechtbank worden gevergd dat hij een inkomen ter hoogte van
€ 2.000,= bruto per maand blijft genereren. De man is weliswaar deels arbeidsongeschikt voor het werk als lasser, maar gebleken is dat hij in de afgelopen periode in staat is geweest om € 2.000,= bruto uit andere werkzaamheden aan inkomen te genereren. Gesteld noch gebleken is dat hij dit in de toekomst niet meer zou kunnen verdienen.
4.18.
De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting en arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de man op een bedrag ter hoogte van € 2.626,= per maand.
4.19.
De draagkracht van de man is dan volgens de formule € 370,= per maand.
4.20.
Voor de vaststelling van het NBI van de vrouw gaat de rechtbank uit van het volgende.
4.21.
De vrouw stelt dat zij schoonmaakwerkzaamheden verricht en dat zij op basis van een werkweek van 16,5 uur een salaris heeft ter hoogte van € 1.027,= bruto per maand, te vermeerderen met de gebruikelijke vakantietoeslag.
Volgens de man is de vrouw in het verleden in staat gebleken om tenminste 32 uur per week te werken en kan van haar worden verwacht dat zij dit weer doet. Daarmee zou zij een inkomen kunnen verwerven ter hoogte van ruim € 2.000,= bruto per maand waarvan in het kader van de berekening van kinderalimentatie dient te worden uitgegaan.
4.22.
De rechtbank stelt voorop dat de vrouw heeft nagelaten om recente salarisstroken en werknemersverklaringen te overleggen. De vrouw overlegt enkel een brief van CSU waarin melding wordt gemaakt van wijziging in het aantal contracturen naar 16,5 uur per week.
Dat de vrouw hiermee, zoals zij stelt, € 1.027,= bruto per maand verdient kan uit die brief niet worden afgeleid. Evenmin volgt uit deze brief dat de vrouw naast de 16,5 uur niet ook nog overuren of onregelmatigheidsdiensten draait of elders werkzaamheden verricht, temeer omdat niet is betwist dat de vrouw in dezelfde branche via Tempo Team in een recent verleden 40 uur per week werkte. Het had in het licht van de gemotiveerde betwisting door de man op de weg van de vrouw gelegen om de benodigde stukken te overleggen. Bij gebreke aan die stukken houdt de rechtbank het ervoor dat de vrouw een inkomen kan genereren t zoals dat volgt uit de door de man overlegde aangifte IB 2022 ter hoogte van € 20.919,= bruto per jaar.
4.23.
De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting, inkomensafhankelijke combinatiekorting), en de verschuldigde inkomstenbelasting. Daarnaast komt de vrouw met dit inkomen in aanmerking voor een kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop van € 5.900,= op jaarbasis. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de vrouw op een bedrag ter hoogte van € 2.235,= per maand.
4.24.
De draagkracht van de vrouw is dan volgens de formule € 178,= per maand.
4.25.
Vergelijking van voormelde berekende draagkracht van de onderhoudsplichtigen
brengt mee dat de man met € 360,= per maand en de vrouw met € 173,= per maand moet
bijdragen in de hiervoor vastgestelde behoefte van de [minderjarige 1] .
4.26.
De man heeft, nadat partijen feitelijk gescheiden gaan wonen, gemiddeld drie dagen per week de zorg voor [minderjarige 1] , zodat een zorgkorting geldt van 25%. Nu de behoefte van [minderjarige 1] € 533,= per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 133,= per maand.
4.27.
Het aandeel van de man wordt verminderd met dit bedrag, zodat de man met ingang
van de datum dat partijen feitelijk gescheiden gaan wonen als kinderbijdrage aan de vrouw
dient te betalen € 227,= per maand.
4.28.
Voor wat betreft de door de vrouw verzochte onderhoudsbijdrage voor haar betwist
de man de behoefte van de vrouw aan enige bijdrage. Volgens de man rust op de vrouw een inspanningsverplichting en moet zij in staat worden geacht om volledig in haar eigen levensonderhoud te voorzien.
4.29.
De vrouw heeft op de mondelinge behandeling volhard bij haar verzoek tot vaststelling van een onderhoudsbijdrage voor haar.
4.30.
De rechtbank overweegt als volgt. De vrouw maakt aanspraak op een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud. Op grond van het bepaalde in artikel. 150 Wetboek Pro Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) rust op haar de stelplicht ten aanzien van de hoogte van haar behoefte en haar mogelijkheden om hierin te voorzien. De rechtbank is van oordeel dat zij daar, gelet op de betwisting van de man, in het geheel niet aan heeft voldaan. Zij heeft nagelaten heeft behoefte cijfermatig te onderbouwen door middel van toepassing van de zogenaamde Hofnorm danwel een (met stukken onderbouwde) behoeftelijst of door een concreet beeld te geven van de welstand en het inkomsten- en uitgavenpatronen van partijen tijdens de laatste jaren van hun huwelijk. Een dergelijk toelichting had mede gelet op de betwisting door de man wel op haar weg gelegen. Aldus kan de rechtbank niet beoordelen of en zo ja in welke mate de vrouw op dit moment behoefte heeft aan een bijdrage in haar levensonderhoud. Het verzoek van de vrouw om een bijdrage in haar levensonderhoud zal worden afgewezen. Aan een beoordeling van de draagkracht van de man komt de rechtbank niet toe.
4.31.
De rechtbank heeft berekeningen gemaakt. Gescande exemplaren van deze berekeningen zijn als bijlage aan deze beschikking toegevoegd en maken daarvan deel uit.
Verdeling huwelijksvermogen
4.32.
Nu de Nederlandse rechter op grond van de Brussel II-ter Verordening rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen (artikel 5, eerste lid, Verordening huwelijksvermogensstelsels).
4.33.
De rechtbank zal op het verzoek betreffende de verdeling van de gemeenschappelijke goederen Nederlands recht toepassen omdat partijen vóór het huwelijk het toepasselijke recht niet hebben aangewezen en zij hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk in Nederland vestigden en zij ten tijde van de huwelijkssluiting niet dezelfde nationaliteit bezaten.
4.34.
Partijen zijn gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. Bij de verdeling van deze gemeenschap moet als uitgangspunt worden aangenomen dat partijen in gelijke mate delen in de goederen van de gemeenschap, terwijl ieder de schulden van de gemeenschap voor de helft moet dragen.
4.35.
De gemeenschap van goederen is op grond van artikel 1:99 lid 1 aanhef Pro en sub b BW ontbonden op de datum waarop het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend bij de rechtbank, te weten 12 juli 2024. Die datum is ook bepalend voor de omvang en samenstelling van de gemeenschap.
4.36.
De peildatum voor de waardering van de bestanddelen van de gemeenschap is in beginsel de datum waarop de verdeling plaatsvindt, tenzij partijen anders overeenkomen of op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aangehouden. Van deze peildata zal ook in het onderstaande worden uitgegaan, tenzij daarvan ambtshalve of op verzoek van partijen uitdrukkelijk wordt afgeweken.
4.37.
Bij het gelasten van de wijze van verdeling op grond van 3:185 lid 1 BW, zal de rechtbank naar billijkheid rekening houden met de belangen van partijen en het algemeen belang. De rechtbank geniet hierin grote vrijheid en is niet gebonden aan de verzoeken van partijen en hoeft ook niet expliciet in te gaan op wat partijen aanvoeren.
4.38.
De gemeenschap bestond op de peildatum van 12 juli 2024, volgens opgave van partijen zelf, uit de volgende bestanddelen:
a. de echtelijke woning, staande en gelegen aan [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning), en de daaraan verbonden hypothecaire geldlening bij Obvion;
b. de inboedel;
c. de saldi van bankrekeningen;
[aandelen] ;
e. de auto van het merk BMW;
f. de elektrische fiets;
g. de schuld Kinderopvangtoeslag 2024.
4.39.
In geschil is of tot de gemeenschap behoort:
h. een vordering ter hoogte van € 15.000,=.
4.40.
Verder is sprake van een aantal vergoedingsvorderingen aan de zijde van de man
die zien op belastingschulden.
Ad a. de woning en de daaraan verbonden hypothecaire geldlening
4.41.
Partijen hebben voorafgaand aan de mondelinge behandeling overeenstemming
bereikt in die zin dat:
  • de woning wordt verkocht aan een derde;
  • met de verkoopopbrengst wordt de hypothecaire lening afgelost en worden de verkoopkosten voldaan;
  • het hypotheekrentecontract wordt overgenomen door de vrouw voor de aankoop van een nieuwe woning;
  • van de restantverkoopopbrengst komt de man eerst toe € 65.870,13 vanwege zijn investeringen in de woning, waarna de rest van de overwaarde bij helfte tussen partijen wordt verdeeld. Partijen zijn overeengekomen dat zij de notaris ten overstaan van wie de overdracht aan derde kopers plaatsvindt op overeenkomstige wijze te instrueren op eerste verzoek en dat zij beiden hun volledige medewerking verlenen aan de verkoop en overdracht aan een derde, eveneens op eerste verzoek.
Ad b de inboedel
4.42.
Op de mondelinge behandeling waren partijen het erover eens dat de decoraties, lampen, porselein, klokken en schilderijen bij helfte tussen partijen met gesloten beurzen dienen te worden verdeeld, voor zover deze niet onder de uitsluitingsclausule van de erfenis van de ouders van de man vallen. Ten aanzien van het kristal zal de rechtbank bepalen dat deze, eveneens met gesloten beurzen, dienen te worden verdeeld tussen partijen voor zover deze ook niet onder de uitsluitingsclausule van de erfenis van de ouders van de man vallen. De goederen die onder uitsluitingsclausule zijn verkregen behoren namelijk niet tot de gemeenschap van goederen en blijven buiten de verdeling. Ook waren partijen het erover eens dat aan de man zonder nadere verrekening met de vrouw worden toebedeeld:
  • de souvenirs van de man;
  • de televisie uit de woonkamer;
  • de stereo-installatie;
  • de espressomachine;
  • 1 messenblok;
  • het gereedschap;
en dat aan de vrouw zonder nadere verrekening met de man worden toebedeeld:
  • de wasmachine en de droger;
  • het tuinmeubilair;
  • de keukenspulletjes, behalve de espressomachine en 1 messenblok;
  • de inrichting van de kinderkamers;
  • de inrichting van de slaapkamer van partijen.
4.43.
In geschil is de verdeling van het meubilair in de woonkamer en in de serre. De rechtbank zal in redelijkheid beslissen dat het meubilair in de woonkamer aan de man wordt toebedeeld en het meubilair in de serre aan de vrouw, zonder verdere verrekening van enige waarde.
Ad c. De saldi van de bankrekeningen
4.44.
De saldi van bankrekeningen op het moment van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding (12 juli 2024) zijn onderdeel van de omvang van de huwelijksgemeenschap. De waarde van de vorderingen (op de bank) fluctueert immers niet nadien.
4.45.
Tussen partijen staat vast dat partijen per peildatum 12 juli 2024 over de volgende bankrekeningen beschikten:
  • Rabobankrekening [rekeningnummer 1] op naam van de man;
  • Rabobankrekening [rekeningnummer 2] op naam van de man;
  • Rabobankrekening [rekeningnummer 3] op naam van de vrouw;
  • Sparkasse Rhein Maas [rekeningnummer 4] op naam van de man;
  • Sparkasse Rhein Maas [rekeningnummer 5] op naam van de man;
  • Sparkasse Rhein Maas, [rekeningnummer 6] op naam van de man;
  • Creditcardrekening bij Sparkasse Rhein Maas, eindigend op nummer
[rekeningnummer 7] op naam van de man.
4.46.
Partijen zijn het erover eens dat de saldi op de bankrekeningen bij een positief saldo per peildatum 12 juli 2024 bij helfte gedeeld zullen worden en dat bij een negatief saldo per die peildatum te gelden heeft dat ieder voor de helft draagplichtig is ten aanzien van dit tekort. Ieder van partijen zetten de op zijn/haar naam staande rekeningen voort.
4.47.
De rechtbank wijst erop dat indien en voor zover één van partijen naast de saldi van voornoemde bankrekeningen een saldo van een tot de gemeenschap behorende bankrekening verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt, de betreffende partij op artikel 3:194 lid 2 BW Pro zijn/haar aandeel in dat saldo verbeurt.
Ad [aandelen]
4.48.
Partijen zijn het erover eens dat de waarde van de aandelen per peildatum 12 juli 2024 € 2.590,= was en dat de man gehouden is de helft, oftewel € 1.295,=, te voldoen aan de vrouw.
Ad e. De auto van het merk BMW
4.49.
Tussen partijen is niet in geschil dat de auto kan worden toegedeeld aan de man. De rechtbank zal dat doen tegen een waarde van € 2.758,=, de waarde die volgt uit de door de man overgelegde productie 62. Aan de enkele stelling van de vrouw dat de auto meer waard is gaat de rechtbank als onvoldoende onderbouwd voorbij. De man is gehouden aan de vrouw te voldoen de helft van € 2.758,= oftewel € 1.379,=.
Ad f. De elektrische fiets
4.50.
De man stelt voor dat de elektrische fiets aan de vrouw kan worden toegedeeld onder de voorwaarde dat de BMW voornoemd, aan hem wordt toegedeeld. De rechtbank gelast de wijze van verdeling als volgt dat de elektrisch fiets zonder nadere verrekening wordt toebedeeld aan de vrouw. Dit nu geen van partijen zich heeft uitgelaten over de waarde van deze fiets met overlegging van bijvoorbeeld een taxatierapport. Het is niet mogelijk om de waarde vast te stellen en een toedeling om niet komt de rechtbank in deze situatie niet onredelijk voor.
Ad g. De schuld Kinderopvangtoeslag 2024
4.51.
Tussen partijen staat vast dat er per peildatum een schuld Kinderopvangtoeslag over 2024 bestond ter hoogte van € 9.165,=. Ingevolge de hoofdregel van artikel 1:100 BW Pro zijn beide partijen gelijkelijk draagplichtig met betrekking tot deze gemeenschapsschuld.
De man verzoekt de vrouw nu te veroordelen aan hem te voldoen de helft, oftewel
€ 4.582,50. Gebleken is echter dat de man nog niet meer dan zijn aandeel in de schuld heeft voldaan. Pas wanneer de man deze gemeenschappelijke schuld voor een groter deel heeft voldaan dan met zijn (interne) draagplicht overeenstemt -en dit met bescheiden onderbouwt-, ontstaat op grond van artikel 6:10 BW Pro regres op de vrouw. Zijn verzoek is op dit moment niet toewijsbaar.
Ad h. De € 15.000,=
4.52.
Tussen partijen is in geschil of een vordering van € 15.000,= tot de ontbonden te verdelen gemeenschap behoort.
De man stelt dat de vrouw een bedrag van € 15.000,= aan haar broers heeft geleend. Hij verzoekt de vordering op de broers aan de vrouw toe te delen zodat de vrouw aan hem dient te voldoen € 7.500,=.
Volgens de vrouw is het bedrag geschonken aan de broers. Dit was uitdrukkelijk de bedoeling van partijen. Er is dan ook niets te verdelen, aldus de vrouw.
4.53.
De rechtbank constateert dat de gestelde (u/g) lening dan wel schenking een rechtsverhouding tussen de broers van de vrouw enerzijds en de huwelijksgemeenschap van partijen anderzijds betreft. De broers van de vrouw zijn echter geen partij in deze procedure, zodat ten opzichte van hen niet bindend kan worden vastgesteld of er een opeisbare schuld is die de broers aan partijen dienen terug te betalen. De rechtbank zal daarom volstaan met te bepalen dat indien (in rechte) ten aanzien van de broers van de vrouw komt vast te staan dat er een vordering van partijen op de broers is, partijen ieder daarvoor voor de helft gerechtigd zijn.
Conclusie verdeling
4.54.
De rechtbank zal de wijze van verdeling gelasten als na te melden in het dictum. Daarbij wordt enkel verwezen naar de rechtsoverwegingen waarin daadwerkelijk verdelingsbeslissingen zijn genomen. Voor zover partijen volledige overeenstemming hebben bereikt over de verdeling van een bestanddeel van de gemeenschap, zoals onder meer de woning, gedeeltelijk de inboedel, de bankrekeningen, en de aandelen, is er ingevolge artikel 3:185 BW Pro geen taak voor de rechtbank weggelegd. In zoverre zullen de verzoeken om de wijze van verdeling te gelasten worden afgewezen. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de tussen partijen gemaakte afspraken hen wel binden en moeten worden nagekomen.
Vergoedingsrechten
4.55.
Uit de stukken blijkt dat de man na de peildatum navolgende huwelijkse schulden na de peildatum volledig heeft voldaan:
- de schuld Kinderopvangtoeslag 2021 ter hoogte van € 1.868,=;
- de schuld Kinderopvangtoeslag 2023 ter hoogte van € 1.403,=;
- de aanslag IB 2021 ter hoogte van € 2.623,=.
De man verzoekt de vrouw te veroordelen aan hem te voldoen de helft van deze bedragen, vermeerderd met wettelijk rente. Dit verzoekt ligt als op de wet gegrond en onvoldoende gemotiveerd weersproken voor toewijzing gereed. Dit betekent dat de vrouw gehouden is aan de man te voldoen € 2.947,= (€ 5.894,= :2), te vermeerderen met de wettelijk rente. De rechtbank zal dienovereenkomstig bepalen.
Proceskosten
4.56.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op [datum] 2016 in de gemeente Breda met elkaar gehuwd;
5.2.
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat zodra partijen feitelijk gescheiden leven, de minderjarige [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2017 haar hoofdverblijf heeft bij de vrouw;
5.3.
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat zodra partijen feitelijk gescheiden leven, de man en de [minderjarige 1] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar eenmaal per veertien dagen een weekend, van vrijdag uit school tot zondagavond, alsmede gedurende de helft van alle feestdagen en vakanties, nader in onderling overleg door partijen te regelen;
5.4.
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat zodra de vrouw over zelfstandige woonruimte beschikt de man ten behoeve van de verzorging en opvoeding van de [minderjarige 1]
aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 227,= (tweehonderdzevenentwintig euro) per maand;
5.5.
gelast, uitvoerbaar bij voorraad, de verdeling van de gemeenschappelijke goederen van partijen op de wijze zoals neergelegd in rechtsoverwegingen 4.43., 4.49., 4.50.;
5.6.
bepaalt , uitvoerbaar bij voorraad, dat de vrouw aan de man dient te voldoen een bedrag ter hoogte van € 2.947,= (tweeduizend negenhonderdzevenenveertig euro), te vermeerderen met de wettelijk rente vanaf de datum van deze beschikking tot aan de dag der algehele voldoening;
5.7.
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.8.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Coolwijk, en, in tegenwoordigheid van
mr. Van der Plas, griffier, in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2025.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.