ECLI:NL:RBZWB:2025:6952

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
14 oktober 2025
Publicatiedatum
16 oktober 2025
Zaaknummer
C/02/435573 / JE RK 25-918
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Pellikaan
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BWArt. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beperking duur verlenging machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige in een pleegzorgvoorziening. De kinderrechter heeft eerder de ondertoezichtstelling en machtiging verlengd, maar vond een tussentijds toetsmoment noodzakelijk vanwege ontbrekende concrete informatie.

De gecertificeerde instelling stelt dat het perspectief van de minderjarige bij de ouders ligt, maar dat thuisplaatsing nog niet mogelijk is. De omgang tussen ouders en minderjarige is uitgebreid, maar er zijn nog zorgen over opvoedvaardigheden, persoonlijke problematiek van de ouders en financiële situatie. De ouders tonen positieve ontwikkelingen en werken mee aan hulpverlening.

De kinderrechter oordeelt dat verlenging noodzakelijk is in het belang van de minderjarige, maar beperkt de duur tot vier maanden in plaats van de gevraagde acht maanden. Dit omdat de ouders voldoende opvoedcapaciteiten tonen en de veiligheid van de minderjarige niet meer direct in het geding is. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing wordt verlengd voor vier maanden en het verzoek tot verdere verlenging wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/435573 / JE RK 25-918
Datum uitspraak: 14 oktober 2025
Nadere beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Tilburg, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2024 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
en
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. A. Elias te Oisterwijk,
FAMILIE [de pleegouders] ,
hierna te noemen de pleegouders,
wonende in [woonplaats 2] .

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van 17 juni 2025 en de daarin genoemde stukken;
  • de op 12 september 2025 van de GI ontvangen brief met bijlagen.
1.2
De nadere mondeling behandeling heeft met gesloten deuren plaatsgevonden op 22 september 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- de advocaat van de ouders, mr. Elias;
- de pleegmoeder;
- twee vertegenwoordigers van de GI.
De kinderrechter heeft bijzondere toegang tot de zitting verleend aan de pleegzorgwerker van Sterk Huis, mevrouw [persoon] , en haar als informant aangemerkt.

2.De nadere beoordeling

2.1.
Bij beschikking van de kinderrechter van 17 juni 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 20 juni 2025 tot 20 juni 2026. Daarnaast is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd met ingang van 20 juni 2025 tot 20 oktober 2025 en is het resterende deel daarvan aangehouden tot de zitting van 22 september 2025. De kinderrechter heeft in deze beschikking aangegeven een tussentijds toetsmoment nodig te vinden, omdat er concrete informatie ontbreekt en niet duidelijk is waar de ouders aan moeten voldoen om [minderjarige] weer thuis geplaatst te krijgen.
Het verzoek
2.2.
Aan de orde is het resterende verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van
20 oktober 2025 tot 20 juni 2026. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De standpunten
2.3.
De GI heeft ter onderbouwing van het resterende verzoek aangegeven dat het perspectief van [minderjarige] bij de ouders ligt, maar dat [minderjarige] nu nog niet thuisgeplaatst kan worden. De omgang tussen de ouders en [minderjarige] is inmiddels uitgebreid. Zij verblijft elke week bij de ouders van maandagmiddag tot en met woensdagmiddag. De ouders zijn zorgzaam en liefdevol voor [minderjarige] . Gezien is dat [minderjarige] moeite heeft met de wisselingen tussen thuis en het pleeggezin. Zij laat hierop een reactie zien bij de pleegouders, maar [minderjarige] zit niet klem tussen deze twee werelden. De gedragswetenschappers hebben bekeken hoe dit gedrag geïnterpreteerd moet worden. De omgang zal steeds verder uitgebreid worden, maar het tempo van [minderjarige] moet daarbij gevolgd worden. Daarnaast zijn er nog wel zorgen. De ouders laten bijvoorbeeld het initiatief om te drinken en te eten vaak afhangen van de behoefte van [minderjarige] , waardoor het voor kan komen dat zij te weinig heeft gedronken en gegeten. Sterk Huis zal starten met videointeractiebegeleiding om met de ouders te werken aan de verdere opvoedvaardigheden. Uit het raadsrapport kwam eerder de persoonlijke problematiek van de ouders naar voren. Moeder staat nog op de wachtlijst voor therapie, maar zij volgt al wel trainingen. De vader blijkt zijn behandeling bij de GGZ in december 2024 te hebben afgesloten. Er is aan de vader gevraagd om verslagen hiervan aan de GI te geven, maar die zijn nog steeds niet overgelegd. De bewindvoerder heeft aangegeven grote zorgen te hebben over de handelswijze van de vader, omdat zijn bankrekening is geblokkeerd wegens verdenking van internetfraude. De ouders hebben geen eigen inkomen. Zij leven nu van de erfenis van de moeder. Er zijn dus nog wel zorgen waar meer zicht op moet komen voordat [minderjarige] thuisgeplaatst kan worden.
2.4.
De moeder heeft aangegeven dat de omgang met [minderjarige] goed verloopt. Sinds de omgang aan één stuk is met twee overnachtingen gaat het ’s nachts beter met [minderjarige] en slaapt ze goed door. [minderjarige] heeft er wel moeite mee als ze haar zin niet krijgt of aangesproken wordt op haar gedrag. De samenwerking tussen de ouders gaat goed. Pleegzorg komt langs en bekijkt hoe het gaat. De moeder is bezig met een emotieregulatietraining. Daarna zou ze therapie gaan krijgen. De vader heeft onlangs weer zijn dossier opgevraagd bij de GGZ om het te verstrekken aan de GI. De bank gaat onderzoek doen naar de bankrekening van de vader, maar er waren geen strafrechtelijke feiten gevonden. Zij weet niet waarom de bankrekening is geblokkeerd. De moeder vindt het fijn te horen dat [minderjarige] uiteindelijk weer thuis komt wonen. Ze vindt dat dit niet te lang moet duren. [minderjarige] heeft moeite met het leven in twee werelden; bij ouders en bij pleegouders. Hoe langer dit zo blijft, hoe langer zij daarop blijft reageren. De moeder wil dat [minderjarige] niet langer de stress hierover voelt.
De advocaat van de ouders heeft naar voren gebracht dat zij enerzijds begrijpt dat het tempo van [minderjarige] gevolgd moet worden, maar anderzijds ook vanuit de ouders hoort dat [minderjarige] het steeds moeilijker heeft met het leven in twee werelden. [minderjarige] vindt het steeds lastiger om afscheid te moeten nemen van de ouders. De advocaat vindt dat er geen grondslag meer is voor de machtiging tot uithuisplaatsing. Het perspectief ligt bij de ouders. De ouders beschikken over de nodige opvoedcapaciteiten. De videointeractiebegeleiding kan ook ingezet worden binnen de ondertoezichtstelling. Daarvoor is een machtiging tot uithuisplaatsing niet nodig. De ouders zijn in staat voor [minderjarige] te zorgen en er is geen onveiligheid meer. De geldzorgen mogen geen grondslag zijn voor de uithuisplaatsing. De hulpverleningshouding van de ouders is goed. De vader dacht dat de GI het dossier van de GGZ al had. Hij heeft in ieder geval gedurende de ondertoezichtstelling behandeling gehad. Uit de thuisobservaties is niet naar voren gekomen dat de vader de zorg voor [minderjarige] niet kan dragen. Nu de ouders zelf voor [minderjarige] kunnen zorgen, is het niet langer nodig dat zij tussen twee werelden moet wisselen. Namens de ouders verzoekt de advocaat het resterende verzoek af te wijzen.
2.5.
De pleegzorgwerker van Sterk Huis heeft naar voren gebracht dat [minderjarige] tijd nodig heeft. Ze heeft moeite met de wisseling tussen de ouders en de pleegouders. Ze kan zich nog niet goed uitdrukken en wordt dan boos, huilt veel of slaapt slecht. Haar tempo moet gevolgd worden. Dat betekent dat er continue afgestemd moet worden met elkaar. Het perspectiefonderzoek loopt nog. Daarin wordt gekeken hoe de omgang tussen [minderjarige] en de ouders opgebouwd wordt. De pleegzorgwerker heeft om de drie tot vier weken contact met de GI om te bespreken wat voor [minderjarige] mogelijk is. Hoe sneller er gewerkt wordt naar een thuisplaatsing, hoe pittiger de opvoeding van [minderjarige] zal zijn. Bij een te snelle thuisplaatsing wordt ook de ouders te kort gedaan.
De pleegmoeder heeft daarop aangevuld dat het contact met de moeder goed is. Het contact met de vader is meer zakelijk.
De beoordeling van de kinderrechter
2.6.
Op grond van artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Op basis van artikel 1:265c lid 2 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
2.7.
De kinderrechter is van oordeel dat verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] op dit moment nog noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding, maar zij zal wel de duur van de machtiging beperken tot vier maanden.
2.8.
Het perspectief van [minderjarige] is bij de ouders bepaald. Er zijn echter nog wel enkele zorgen over de opvoedvaardigheden, waarvoor videointeractiebegeleiding is ingezet. Daarnaast zijn er nog zorgen over de persoonlijke problematiek van beide ouders en de hulpverlening die daarvoor nog moet worden ingezet of waarover nog onduidelijk is of de benodigde hulpverlening al is ingezet. De GI moet hier meer zicht op gaan krijgen. Ook is de financiële situatie zorgelijk, omdat er budget moet zijn om een kind te voorzien in diens levensonderhoud. Bovendien kan dit tot een toename van stress en spanning leiden bij de ouders, terwijl zij al moeite hebben om een kalm brein te houden. Daarnaast is een te abrupte thuisplaatsing van [minderjarige] niet in haar belang. Voor [minderjarige] is nog een periode van gewenning bij haar ouders nodig, waarbij zij steeds vaker bij haar ouders verblijft en minder bij haar pleegouders. Zowel [minderjarige] als de ouders wordt een rustige, gecontroleerde overstap naar de thuissituatie gegund om dit goed te laten verlopen.
De kinderrechter begrijpt dat wegens al deze zorgen het voor nu nog noodzakelijk is dat [minderjarige] uit huis geplaatst blijft. Daarom zal zij de machtiging tot uithuisplaatsing verlengen.
2.9.
De kinderrechter toetst aan een ander kader dan zorgverleners. De kinderrechter is gebonden aan de gronden in de wet voor een machtiging tot uithuisplaatsing. De GI heeft verzocht om verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor de (resterende) duur van acht maanden. De kinderrechter vindt echter het voortduren van de uithuisplaatsing voor deze volle acht maanden niet
noodzakelijkin het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . De ouders hebben een positieve ontwikkeling laten zien. Er zijn geen directe zorgen meer om de veiligheid van [minderjarige] bij de ouders. De ouders beschikken over opvoedcapaciteiten en zij reageren sensitief naar [minderjarige] . Zij werken ook mee aan de hulpverlening via Sterk Huis. [minderjarige] verblijft inmiddels drie dagen en twee nachten per week bij de ouders en dit gaat over het algemeen gezien al best goed. Daarnaast zijn er signalen dat [minderjarige] het moeilijk heeft met de overgang tussen de ouders en de pleegouders. Mogelijk moet [minderjarige] dus ook niet te lang aan deze tussensituatie blootgesteld worden. De GI en Sterk Huis geven daarover aan dat het tempo van [minderjarige] gevolgd moet worden, maar de wet schrijft voor dat als het ‘goed genoeg’ is bij de ouders er geen
noodzaakmeer is een kind uithuisgeplaatst te houden. De kinderrechter verwacht dat deze situatie binnen vier maanden bereikt kan worden.
2.10.
De kinderrechter zal daarom de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengen voor de duur van vier maanden en het resterende verzoek voor het overige afwijzen. Mocht het door (gewijzigde) omstandigheden toch noodzakelijk blijken de machtiging tot uithuisplaatsing langer te laten voortduren, staat het de GI vrij hiertoe een nieuw verzoek in te dienen bij de rechtbank.
2.11.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

3.De beslissing

De kinderrechter:
3.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 20 oktober 2025 tot 20 februari 2026;
3.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.3.
wijst het verzoek voor het overige af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2025 door
mr. Pellikaan, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Verger-Maas als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.