ECLI:NL:RBZWB:2025:6954

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 oktober 2025
Publicatiedatum
16 oktober 2025
Zaaknummer
C/02/436372 / FA RK 25-2961
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Leuven
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Start hulpverlening solo parenting en aanhouding definitieve zorgregeling bij gezamenlijk gezag

Partijen, gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over hun minderjarige kind, hebben een geschil over de zorgregeling en het gezag. De vrouw verzoekt om alleen het gezag te krijgen en aanhouding van de zorgregelingbeslissing, terwijl de man primair het gezag voor zichzelf wil en subsidiair wijziging van de zorgregeling.

De rechtbank behandelt de zaak binnen het Project Wijkrechtspraak familiezaken, gericht op duurzame oplossingen en escalatiepreventie met betrokken instanties. Na een periode van begeleide contactmomenten en een multidisciplinair overleg is afgesproken te starten met een hulpverleningstraject gericht op solo parenting, ondanks taalbarrières en eerdere niet-geslaagde trajecten.

De rechtbank legt voorlopige afspraken vast over contact tussen de man en het kind, waarbij de zorgregeling vooralsnog om de week in oneven weken contact plaatsvindt. De beslissing over het gezag en hoofdverblijf wordt aangehouden in afwachting van rapportages van de hulpverlening en een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming.

De rechtbank verzoekt beide rapportages uiterlijk 14 april 2026 in te dienen en stelt partijen in de gelegenheid zich daarna uit te laten. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en gericht op het belang van het kind en het bevorderen van samenwerking tussen ouders.

Uitkomst: De rechtbank start hulpverlening solo parenting, legt voorlopige contactafspraken vast en houdt beslissing over gezag en hoofdverblijf aan tot rapportages zijn ontvangen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Tilburg West
Zaaknummer: C/02/436372 / FA RK 25-2961
datum uitspraak: 9 oktober 2025
beschikking over wijziging van het gezag en wijziging van de zorgregeling
in de zaak van
[de vrouw],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. E.M.A. Leijser,
en
[de man] ,
wonende in [woonplaats]
hierna te noemen de man,
advocaat mr. M.T. Wernsen.
1. Het verloop van het geding
1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 12 juni 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen van de vrouw;
- het op 15 september 2025 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken van de man;
- de brief van mr. Wernsen van 23 september 2025 met bijlagen;
- het vonnis in kort geding van 30 april 2025.
1.2. Op verzoek van partijen heeft de rechtbank het verzoek behandeld binnen het “Project Wijkrechtspraak familiezaken”. Dit is een pilot van de rechtbank Zeeland-West-Brabant waarbij wordt samengewerkt met onder meer de gemeente Tilburg, de advocatuur, maatschappelijk werk, Gecertificeerde Instelling, welzijnswerk en jongerenwerk, het Zorg- en Veiligheidshuis, de Raad voor de Kinderbescherming, Veilig Thuis en de GGZ. Het project betreft alleen bewoners uit [woonplaats] . Het doel van het project is partijen zo doelmatig en efficiënt als mogelijk te helpen bij het duurzaam oplossen van familierechtelijke geschillen en het voorkomen van verdere escalaties in samenwerking met de betrokken instanties.
1.3. De zitting in deze zaak heeft plaatsgevonden op 30 september 2025 in de Wijkrechtbank, locatie Tilburg-West. Bij die behandeling zijn verschenen:
  • de vrouw, bijgestaan door mr. Leijser,
  • de man, bijgestaan door mr. Wernsen;
  • mevrouw [persoon 1] , als tolk in de Spaanse taal;
  • mevrouw [persoon 2] , als vertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over de verzoeken te adviseren;
  • de heer [persoon 3] , medewerker van [organisatie] ;
  • [persoon 4] en mevrouw [persoon 5] , medewerkers van [hulpverlening 1] .

2.De feiten

2.1.
Zoals blijkt uit de stellingen en ingediende stukken staat tussen partijen het volgende vast.
- partijen hebben een relatie met elkaar gehad;
- tijdens deze relatie is geboren het volgende, nu nog minderjarige kind:
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2018 in [geboorteplaats] , [geboorteland] (roepnaam: [minderjarige] );
- partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] ;
- de vrouw heeft de Portugese nationaliteit. De man en [minderjarige] hebben de Spaanse nationaliteit.
2.2.
In het door partijen in maart 2024 opgestelde ouderschapsplan is onder andere opgenomen dat [minderjarige] haar hoofdverblijf heeft bij de vrouw. [minderjarige] verblijft op grond van een co-ouderschapsregeling tijdens de even weken bij de vrouw en tijdens de oneven weken bij de man. Het wisselmoment vindt iedere week op vrijdag om 18.30 uur plaats.
2.3.
In het vonnis van 30 april 2025 heeft de voorzieningenrechter bepaald dat de man en [minderjarige] in het kader van de zorgregeling
voorlopiggerechtigd zijn op
begeleidcontact met elkaar, onder regie van [hulpverlening 2] en met inachtneming van rechtsoverweging 4.7.

3.De verzoeken

3.1.
De vrouw verzoekt, samengevat:
- gelasting van een onderzoek door de Raad;
- haar voortaan alleen met het ouderlijk gezag over de minderjarige [minderjarige] te belasten;
- aanhouding over de wijziging van een definitieve zorgregeling dan wel contactregeling aan te houden in afwachting van de resultaten van het traject uitgezet door [hulpverlening 2] of het raadsonderzoek of indien de vrouw een verzoek over de wijziging van de zorgregeling/contactregeling formuleert en aanvullend indient in deze procedure.
3.2.
De man verzoekt, samengevat:
-
primairhem voortaan alleen met het ouderlijk gezag over [minderjarige] te belasten;
subsidiairbepaling van het hoofdverblijf van [minderjarige] bij hem;
- wijziging van de zorgregeling als volgt:
primairte bepalen dat [minderjarige] bij de vrouw verblijft om de week van vrijdagavond 19.00 uur tot zondagavond 19.00 uur, met uitzondering van de helft van de schoolvakanties;
subsidiairte bepalen dat [minderjarige] bij de man zal verblijven om de week van zondag 19.00 uur tot zondag 19.00 uur, alsmede de helft van alle vakanties en feestdagen, waarbij [minderjarige] altijd de eerste helft van de vakanties bij hem verblijft, behalve tijdens de kerstvakantie: dan verblijft [minderjarige] in de even jaren de eerste helft van de vakantie bij de man.

4.De beoordeling

4.1.
De Nederlandse rechter is internationaal bevoegd om kennis te nemen van de verzoeken inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, omdat [minderjarige] op het moment van de indiening van het verzoek haar gewone verblijfplaats in Nederland had. Op de beoordeling van de verzoeken zal Nederlands recht worden toegepast.
Voortraject
4.2.
Na het vonnis van 30 april 2025 is Gezinsbegeleiding Breda betrokken geraakt bij het gezin om het contact tussen de man en [minderjarige] te begeleiden. Er zijn vijf begeleide contactmomenten geweest. Deze contactmomenten zijn goed verlopen, zoals blijkt uit het ingediende evaluatieverslag. [organisatie] heeft met ouders gesproken over een traject bij [hulpverlening 1] om te komen tot ‘solo parenting’, maar [hulpverlening 1] gaf aan dat zij ouders hierin niet konden begeleiden door de taalbarrière. Veilig Thuis is betrokken geraakt vanwege beschuldigingen vanuit de vrouw aan het adres van de man. Deze betrokkenheid heeft ertoe geleid dat ouders bij Sterk Huis een gesprek hebben gehad over MST-CAN. Dit traject is niet van de grond gekomen door het ontbreken van een eigen hulpvraag aan de zijde van de man en ook de vrouw wilde niet meewerken. Op 19 september 2025 heeft er vervolgens een MDO plaatsgevonden. Tijdens dit MDO is het gelukt om deelafspraken te maken over de zorgregeling met [minderjarige] en is besproken dat [hulpverlening 1] alsnog de mogelijkheid heeft om ouders te begeleiden in een traject gericht op ‘solo parenting’.
Hoe nu verder?
4.3.
Op de zitting is met alle aanwezigen uitvoerig gesproken over de afgelopen periode. Hieruit is naar voren gekomen dat er stappen voorwaarts zijn gezet. Er wordt gezien dat beide ouders open staan voor hulpverlening en dat daarmee kan worden gestart onder begeleiding vanuit [hulpverlening 1] . De hulpverlening zal zijn gericht op ‘solo parenting’. Tijdens de zitting is besproken of het ook belangrijk is om nog aandacht te hebben voor de
ex-partnerproblematiek tussen ouders. Duidelijk werd dat ‘solo parenting’ nu voorrang behoeft. Hoewel is gezien dat ouders bij elkaar bepaalde reacties uitlokken lijkt het nu niet productief om daar de focus op te leggen. [hulpverlening 1] kan zich dus in eerste instantie vooral richten op het ‘solo parenting’. Om te starten met de hulpverlening zal [organisatie] ervoor zorgen dat de beschikking hiervoor wordt afgegeven. Dat kan zelfs met terugwerkende kracht. Van de rechtbank wordt geen actie verlangd.
4.4.
Na afloop van de hulpverlening maakt [hulpverlening 1] een rapport op over het verloop en de resultaten van het traject. Dit rapport wordt als bijlage bij het door [organisatie] op te maken rapport gevoegd. De rechtbank verzoekt [organisatie] om het volledige rapport uiterlijk op na te noemen pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk is, bij de rechtbank in te dienen. Op verzoek van [organisatie] kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Afstemming met de Raad is in dat geval gewenst, zulks in verband met het door de Raad uit te voeren onderzoek. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door.
4.5.
De rechtbank zal partijen via hun advocaten in de gelegenheid stellen zich binnen twee weken na ontvangst van de rapport uit te laten of een (voorgezette) mondelinge behandeling nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de verzoeken met betrekking tot [minderjarige] .
4.6.
Verder is met partijen en de Raad besproken dat de rechtbank aan de Raad in dit stadium al een verzoek zal doen om een onderzoek te verrichten en daarover bij de rechtbank een rapport en advies in te dienen voor de beantwoording van de volgende vragen:
- bestaat er, bij instandhouding van het gezamenlijk gezag van beide ouders, een onaanvaardbaar risico dat [minderjarige] klem of verloren zal raken tussen de ouders en is niet te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen of is het anderszins in het belang van [minderjarige] te achten om af te wijken van het in de wet neergelegde uitgangspunt dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen?
- in hoeverre komt een wijziging van de hoofdverblijfplaats, conform het subsidiaire verzoek van de man, tegemoet aan de belangen van [minderjarige] ?
- in hoeverre komt een wijziging van de zorgregeling door de ouders tegemoet aan de belangen van [minderjarige] ?
4.7.
Dit betekent dat het hulpverleningsproces en het onderzoek van de Raad elkaar (deels) overlappen. Ouders, de Raad en [hulpverlening 1] onderkennen de voordelen daarvan in deze zaak. De rechtbank verzoekt de Raad zijn rapport en advies bij de rechtbank in te dienen, zo mogelijk ook uiterlijk op 14 april 2026 en een afschrift daarvan ook aan de advocaten van partijen te geven. Ook voor dit rapport geldt dat advocaten van ouders in de gelegenheid zullen worden gesteld zich over de inhoud daarvan uit te laten, zo mogelijk gelijktijdig met het moment waarop zij zich uitlaten over het rapport van de hulpverlening.
Zorgregeling
4.8.
Tijdens de zitting zijn met partijen de mogelijkheden besproken om afspraken te maken over de zorgregeling tussen de man en [minderjarige] . Het is partijen uiteindelijk gelukt om hierover met elkaar afspraken te maken.
4.9.
Partijen zijn overeengekomen dat de man gerechtigd is tot contact met [minderjarige] :
- van vrijdag 3 oktober uit school (14.00 uur) tot maandag 6 oktober naar school;
- de daaropvolgende week van vrijdag 10 oktober uit school (14.00 uur) tot vrijdag 17 oktober om 14.00 uur, waarbij [minderjarige] door de man naar de [winkel] zal worden gebracht en de vrouw haar daar zal ophalen;
- hierna zal [minderjarige] om de week in de oneven weken van vrijdag uit school of wanneer er geen school is vanuit de [winkel] (14.00 uur) bij de man zijn tot de daaropvolgende vrijdag 14.00 uur, waarbij [minderjarige] door de man naar de [winkel] zal worden gebracht en de vrouw haar daar zal ophalen.
Mocht onverhoopt blijken dat de uitvoering van bovenstaande afspraken niet naar behoren verloopt, dan is het dringende verzoek aan de advocaten van partijen om de rechtbank hierover direct te informeren.
4.10.
De rechtbank zal de door partijen overeengekomen afspraken over de zorgregeling vastleggen in deze beschikking. Deze regeling acht de rechtbank op dit moment in het belang van [minderjarige] . De beslissing over de definitieve zorgregeling wordt aangehouden in afwachting van de resultaten van de hulpverlening en de bevindingen van de Raad.
Gezag en hoofdverblijf
4.11.
De beslissing op de verzoeken van partijen over wijziging van het ouderlijk gezag en het hoofdverblijf houdt de rechtbank ook aan. Het is in de aankomende periode belangrijk dat gekeken wordt of de afspraken over de zorgregeling zich gaan bestendigen en de hulpverlening wordt doorlopen. Tegen deze achtergrond vindt de rechtbank het passend om de komende periode al deze ontwikkelingen te volgen en daarmee de beslissing over het wijzigen van het gezag en het hoofdverblijf aan te houden.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man en de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2018 in [geboorteplaats] , [geboorteland] ,
voorlopiggerechtigd zijn tot contact met elkaar:
- van vrijdag 3 oktober uit school (14.00 uur) tot maandag 6 oktober naar school;
- de daaropvolgende week van vrijdag 10 oktober uit school (14.00 uur) tot vrijdag
17 oktober om 14.00 uur, waarbij [minderjarige] door de man naar de [winkel] zal worden gebracht en de vrouw haar daar zal ophalen;
- hierna zal [minderjarige] om de week in de oneven weken van vrijdag uit school of wanneer er geen school is vanuit de [winkel] (14.00 uur) bij de man zijn tot de daaropvolgende vrijdag 14.00 uur, waarbij [minderjarige] door de man naar de [winkel] zal worden gebracht en de vrouw haar daar zal ophalen;
5.2.
verzoekt [organisatie] om uiterlijk op
14 april 2026in deze procedure het rapport over het verloop en het resultaat van de hulpverlening bij de griffie in te dienen;
5.3.
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda een onderzoek in te stellen voor de beantwoording van de in rechtsoverweging 4.6. opgenomen vragen en daarover te rapporteren en te adviseren, zo mogelijk ook uiterlijk op
14 april 2026;
5.4.
verzoekt de Raad zijn rapport en advies bij de rechtbank in te dienen, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift van dit rapport en advies aan de advocaten van partijen;
5.5.
houdt de behandeling van deze zaak aan tot 14 april 2026 PRO FORMA;
5.6.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Leuven, en, in tegenwoordigheid van mr. Hurkmans, griffier, in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2025.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.