ECLI:NL:RBZWB:2025:6956

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 oktober 2025
Publicatiedatum
16 oktober 2025
Zaaknummer
BRE 24/6084
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:2 AwbArt. 7:3 AwbArt. 15 Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994Art. 20 AwrArt. 25 Awr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling naheffingsaanslag en verzuimboete motorrijtuigenbelasting na hoorplichtonderzoek

Belanghebbende, een vennootschap onder firma, werd geconfronteerd met een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting van €139 en een verzuimboete van €55 wegens niet tijdige betaling over het tijdvak 17 april 2024 tot en met 16 juli 2024. De inspecteur had het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.

De rechtbank onderzocht eerst of de hoorplicht door de inspecteur was geschonden. Belanghebbende stelde dat telefonisch contact met de Belastingdienst leidde tot onjuiste informatie over het nut van een hoorgesprek, waardoor zij afzag van een hoorgesprek. De inspecteur kon dit niet verifiëren en stelde dat belanghebbende niet om een hoorgesprek had verzocht. De rechtbank concludeerde dat de hoorplicht niet was geschonden omdat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat onjuiste informatie was verstrekt en zij bewust afzag van het hoorgesprek.

Vervolgens oordeelde de rechtbank dat de naheffingsaanslag terecht was opgelegd. Belanghebbende voerde aan dat zij de rekening niet had ontvangen en daarom niet tijdig kon betalen, maar de rechtbank stelde dat de belastingplichtige zelf verantwoordelijk is voor tijdige betaling, ook als de rekening niet is ontvangen. De wettelijke regeling laat een betalingstermijn toe tot 30 dagen na aanvang van het tijdvak, maar belanghebbende had niet tijdig betaald.

Ten slotte werd de verzuimboete van €55 bevestigd omdat sprake was van een tweede verzuim binnen een jaar. De rechtbank vond de boete passend en geboden, aangezien geen sprake was van afwezigheid van schuld of een pleitbaar standpunt. Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor naheffingsaanslag en boete in stand blijven.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag en verzuimboete motorrijtuigenbelasting wordt ongegrond verklaard en de opgelegde bedragen blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/6084

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 oktober 2025 in de zaak tussen

V.O.F. [belanghebbende] , gevestigd in [vestigingsplaats] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 26 augustus 2024.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting van € 139 opgelegd over het tijdvak 17 april 2024 tot en met 16 juli 2024 (de naheffingsaanslag).
1.2.
Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende een verzuimboete van € 55 opgelegd (de verzuimboete).
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende, [vennoot] en namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt eerst of de inspecteur in de bezwaarfase de hoorplicht heeft geschonden. Vervolgens beoordeelt de rechtbank of de inspecteur de naheffingsaanslag en de verzuimboete terecht en niet tot te hoge bedragen aan belanghebbende heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van schending van de hoorplicht en heeft de inspecteur de naheffingsaanslag en de verzuimboete terecht en niet tot te hoge bedragen aan belanghebbende opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
3. Belanghebbende is volgens de kentekenregistratie vanaf 17 januari 2020 houder van een motorrijtuig met het [kenteken] (hierna: het motorrijtuig).
3.1.
De inspecteur heeft de naheffingsaanslag opgelegd omdat belanghebbende de voor het motorrijtuig verschuldigde motorrijtuigenbelasting over het tijdvak 17 april 2024 tot en met 16 juli 2024 niet had betaald vóór de uiterste betaaldatum. Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag is aan belanghebbende een verzuimboete van € 55 opgelegd.

Overwegingen

Is sprake van schending van de hoorplicht?
4. Belanghebbende is het er niet mee eens dat de inspecteur in de uitspraak op bezwaar heeft vermeld dat zij niet heeft gereageerd op de uitnodiging voor het hoorgesprek en dat zij (blijkbaar) geen gebruik wilde maken van de mogelijkheid om haar bezwaar mondeling toe te lichten. Belanghebbende voert aan dat haar [vennoot] telefonisch contact heeft opgenomen met de Belastingdienst. Ter zitting heeft deze vennoot verklaard dat de medewerker van de Belastingdienst in dat telefoongesprek zijn vraag of een hoorgesprek voor een verzuimboete voor een bedrag van € 55 nodig was, ontkennend heeft beantwoord. Op basis daarvan heeft hij geen afspraak gemaakt voor een hoorgesprek. Belanghebbende stelt dat de Belastingdienst onjuiste informatie heeft verstrekt over het belang van het hoorgesprek en dat haar beslissing om af te zien over het hoorgesprek haar nu in de uitspraak op bezwaar wordt tegengeworpen.
4.1.
De inspecteur bestrijdt dat de hoorplicht is geschonden. Hij heeft de stelling van belanghebbende met betrekking tot het telefoongesprek niet kunnen verifiëren. Het bericht dat belanghebbende telefonisch contact had opgenomen, heeft hem ieder geval niet bereikt.
4.2.
Op grond van artikel 7:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) stelt het bestuursorgaan een belanghebbende in de gelegenheid om te worden gehoord voordat het op het bezwaar beslist. Een hoorgesprek vindt slechts plaats indien een belanghebbende daarom verzoekt. [1] Het initiatief voor het horen van een belanghebbende ligt echter bij de inspecteur. [2] Van het horen van een belanghebbende kan, onder meer, worden afgezien indien de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord. [3]
4.3.
Vast staat dat belanghebbende niet om een hoorgesprek heeft verzocht. Vast staat ook dat de inspecteur belanghebbende in de gelegenheid heeft gesteld om te worden gehoord en dat belanghebbende er (uiteindelijk) voor heeft gekozen om geen gebruik te maken van die mogelijkheid. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende, tegenover de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, niet aannemelijk gemaakt dat de Belastingdienst onjuiste informatie heeft verstrekt en dat zij om die reden heeft afgezien van het hoorgesprek. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur de hoorplicht dan ook niet geschonden. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de inspecteur desgevraagd ter zitting heeft aangegeven dat het bezwaar van belanghebbende niet is afgewezen omdat belanghebbende geen gebruik heeft gemaakt van het hoorgesprek, maar omdat de inspecteur van mening was dat het enkel niet ontvangen van een rekening belanghebbende niet ontslaat van de verplichting om de motorrijtuigenbelasting tijdig te betalen. Het is dus niet zo dat het niet gebruik maken van de mogelijkheid om te worden gehoord, heeft geleid tot de ongegrondverklaring van het bezwaar.
Is de naheffingsaanslag terecht en niet te hoog vastgesteld?
4.4.
Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag ten onrechte aan haar is opgelegd. Zij voert daartoe aan dat zij de door haar verschuldigde belastingen altijd tijdig, binnen de aangegeven betalingstermijn, voldoet. Dat was in dit geval niet mogelijk omdat zij de rekening niet heeft ontvangen. De inspecteur heeft ook geen betalingsherinnering of een aanmaning gestuurd. Ter zitting heeft belanghebbende nog aangegeven dat het voor haar een principekwestie is omdat ondernemers, zoals zij, ook pas betaald krijgen nadat een factuur is verstuurd en het niet zo kan zijn dat voor de Belastingdienst andere regels gelden. Van een niet tijdige betaling kan daarom geen sprake zijn, aldus belanghebbende.
4.5.
De inspecteur heeft gesteld dat belanghebbende zelf verantwoordelijk is voor een tijdige betaling van het verschuldigde belastingbedrag. Daarnaast heeft de inspecteur erop gewezen dat aan belanghebbende wel een rekening motorrijtuigenbelasting is verzonden voor het tijdvak 17 april tot en met 16 juli 2024. Deze rekening heeft een dagtekening van 16 april 2024 en een uiterste betaaldatum van 18 mei 2024.
4.6.
Naar het oordeel van de rechtbank kan het betoog van belanghebbende haar niet baten. Op grond van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 [4] moet de motorrijtuigenbelasting zijn betaald bij aanvang van het tijdvak, in dit geval op 17 april 2024. In het Kaderbesluit Mrb heeft de Staatssecretaris goedgekeurd dat, in de gevallen waarin de belastingplichtige een brief met betaalinformatie heeft ontvangen waarin een uiterste betaaldatum is vermeld die ligt na de datum van aanvang van het betreffende tijdvak, de belasting pas op deze latere datum hoeft te zijn betaald. In de gevallen waarin de brief met betaalinformatie niet op het adres van de belastingplichtige is ontvangen of aangeboden dan wel de brief met betaalinformatie de belastingplichtige niet heeft bereikt, keurt de Staatssecretaris goed dat belanghebbende binnen 30 dagen na aanvang van het tijdvak de verschuldigde belasting betaalt. Belanghebbende is verantwoordelijk voor een tijdige betaling van de belasting en dient de verschuldigde belasting uit eigen beweging te voldoen. Als de belasting niet tijdig is betaald, kan de inspecteur een naheffingsaanslag opleggen. [5] Dat geldt ook indien een belanghebbende geen rekening heeft ontvangen. Als service zendt de Belastingdienst een rekening, met een uiterste betaaldatum. De rekening vormt slechts een mededeling aan belanghebbende van de omvang van de verschuldigde belasting.
4.7.
Vast staat dat belanghebbende de motorrijtuigenbelasting over het onderhavige tijdvak niet tijdig heeft betaald. De inspecteur was, gelet op de hiervoor weergegeven heffingssystematiek, niet gehouden een aanmaning of herinnering te sturen alvorens de naheffingsaanslag op te leggen. Dat belanghebbende de termijn voor betaling heeft laten verstrijken komt voor haar eigen rekening. Nu belanghebbende het bedrag van de naheffingsaanslag niet heeft betwist, concludeert de rechtbank dat de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende is opgelegd.
Is de verzuimboete terecht en niet te hoog vastgesteld?
4.8.
Belanghebbende is het ook niet eens met de verzuimboete en voert daartegen dezelfde gronden aan (zie 4.4).
4.9.
De inspecteur kan aan de belastingplichtige een verzuimboete opleggen indien de belastingplichtige de belasting welke op aangifte moet worden voldaan niet tijdig heeft betaald. [6] Op grond van paragraaf 33, tweede lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst legt de inspecteur bij een betalingsverzuim een boete op van 1 procent van het wettelijk maximum van artikel 67c van de Awr (€ 5.514 in 2024), tenzij belanghebbende in de periode van één jaar voorafgaand aan het tijdstip waarop belanghebbende in verzuim is, niet eerder in verzuim is geweest. Bij een eerste verzuim wordt geen boete opgelegd, maar een verzuimmededeling verzonden.
4.10.
Nu, zoals hiervoor is geoordeeld, terecht een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting aan belanghebbende is opgelegd, is dus ook sprake van een verzuim als bedoeld in artikel 67c van de Awr. De inspecteur heeft gesteld dat belanghebbende in een periode van één jaar voorafgaand aan het onderhavige verzuim reeds eerder in verzuim is geweest. Er is dus sprake van een tweede verzuim. Uit het dossier volgt ook dat ter zake van dit eerdere verzuim een verzuimmededeling aan belanghebbende is gezonden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur de verzuimboete van € 55 in beginsel terecht opgelegd.
4.11.
Alleen in geval van afwezigheid van alle schuld (avas) of een pleitbaar standpunt wordt geen boete opgelegd. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen (zie 4.7) is daarvan geen sprake.
4.12.
De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of de boete passend en geboden is. Een verzuimboete heeft tot doel een gebod tot nakoming van fiscale verplichtingen in te scherpen. De rechtbank acht een boete van € 55 – gelet op alle omstandigheden van het geval – in dit geval passend en geboden.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag en de verzuimboete in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. van de Langerijt-Suurmeijer, griffier, op 15 oktober 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst en wordt aan de partij die niet digitaal procedeert aangetekend per post verzonden op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 25 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) in afwijking van artikel 7:2 van Pro de Awb.
2.Op grond van paragraaf 9 van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht (Bfb), conform artikel 7:2 van Pro de Awb en in afwijking van artikel 25, eerste lid, van de Awr.
3.Artikel 7:3, onderdeel d van de Awb en onderdeel 9, onder 2, van het Bfb .
4.Artikel 15 van Pro de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994.
5.Artikel 20, eerste lid, van de Awr.
6.Artikel 67c van de Awr.