Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarden van elf appartementen en zeven parkeerplaatsen vastgesteld door de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking West-Brabant per 1 januari 2023. De heffingsambtenaar handhaafde de waardes na bezwaar, waarna belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank beoordeelde of de vastgestelde waarden te hoog waren en nam daarbij het taxatierapport van een deskundige als uitgangspunt. Belanghebbende voerde aan dat de woningen geen berging of parkeerplaats hebben en dat de referentiewoningen onvoldoende vergelijkbaar zijn. De rechtbank oordeelde dat de taxateur voldoende rekening had gehouden met verschillen en dat de referentiewoningen passend waren.
Daarnaast wees de rechtbank het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn af, omdat de termijn van twee jaar niet was overschreden. De beroepen werden ongegrond verklaard, waardoor de WOZ-waarden en de aanslagen OZB gehandhaafd blijven.